Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 198 / 2Kor. 10-13, Ps. 86

Bijbeltekst(en)

Paulus verdedigt zijn gezag

1Ik, Paulus, die me volgens zeggen zo bedeesd gedraag wanneer ik bij u ben en alleen uit de verte flink doe tegen u, ik doe een beroep op u in naam van de zachtmoedigheid en mildheid van Christus. 2Het ontbreekt mij allerminst aan zelfvertrouwen om, eenmaal bij u, streng te durven optreden tegen die paar mensen die denken dat we uit zwakheid handelen. Maar ik vraag u ervoor te zorgen dat dat niet nodig zal zijn. 3We zijn weliswaar zwak, zoals alle mensen, maar we vechten niet met aardse middelen. 4De wapens waarmee wij ten strijde trekken zijn niet de wapens van deze wereld; ze zijn zo krachtig dat ze bolwerken kunnen slechten voor God. We halen spitsvondigheden neer 5en iedere verschansing die wordt opgetrokken tegen de kennis van God, we maken iedere gedachte krijgsgevangene om haar aan Christus te onderwerpen 6en zullen op het moment dat u Hem volledig gehoorzaam bent geworden, paraat staan om anderen voor hun ongehoorzaamheid te straffen.

7Zie nu eens de feiten onder ogen! Wanneer iemand er zo van overtuigd is dat hij dienaar van Christus is, moet hij goed bedenken dat ook wij dienaar van Christus zijn, evengoed als hij. 8Zelfs al zou ik overdreven hoog opgeven van het gezag dat de Heer ons heeft toevertrouwd – een gezag dat opbouwend wil zijn, niet u wil neerhalen –, dan nog zal blijken dat ik de waarheid spreek. 9Ik wil niet de indruk wekken u alleen door middel van brieven ontzag te willen inboezemen. 10Er zijn er namelijk die zeggen: ‘In zijn brieven slaat hij weliswaar een gewichtige en imponerende toon aan, maar zijn persoonlijk optreden is zwak en wat hij zegt heeft weinig te betekenen.’ 11Laat iemand die dat beweert gezegd zijn dat ik, eenmaal bij u, precies zo zal optreden als in mijn brieven.

12We zouden niet durven ons te vergelijken met degenen die zichzelf aanprijzen, laat staan ons aan hen gelijk te stellen. Maar ja, zij nemen zichzelf als maatstaf en zien zichzelf als norm, en tonen daarmee dat ze er niets van begrijpen. 13Wij daarentegen willen niet buiten onze grenzen treden als we ons op iets beroemen, we blijven binnen de grenzen die God ons heeft gesteld. Ook u valt daarbinnen. 14U behoort tot ons gebied, dus wij overspelen onze hand niet. We hebben immers ook bij u als eersten het evangelie van Christus gebracht. 15Wij treden niet buiten onze grenzen, wij beroemen ons niet op de inspanningen van anderen. Wel hopen we dat uw geloof blijft groeien en dat we bij u op steeds grotere steun kunnen rekenen voor ons werk binnen de grenzen die God voor ons heeft vastgesteld, 16zodat we het evangelie ook in verder gelegen gebieden kunnen verkondigen. We willen ons niet laten voorstaan op de resultaten in andermans gebied. 17Er staat geschreven: ‘Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich op de Heer beroemen.’ 18Want niet wie zichzelf aanprijst is betrouwbaar, maar wie door de Heer wordt aangeprezen.

Verdediging tegen schijnapostelen

1Gunde u me maar dat ik een beetje dwaas doe! Vooruit, accepteer het van me, 2want ik waak over u zoals God over u waakt: ik heb u aan één man uitgehuwelijkt, aan Christus, en ik wil u als een kuise bruid aan Hem geven. 3Alleen vrees ik dat, zoals Eva door de slang op sluwe wijze bedrogen werd, uw gedachten worden weggelokt van de oprechte en zuivere toewijding aan Christus. 4U accepteert immers zonder enig bezwaar dat iemand u een andere Jezus verkondigt dan wij hebben gedaan, of dat u een andere Geest of een ander evangelie ontvangt dan u ontvangen hebt.

5Ik denk dat ik in geen enkel opzicht de mindere ben van die geweldige apostelen van u. 6Ook al ontbreekt het mij aan welsprekendheid, kennis bezit ik genoeg. Dat heb ik u meer dan eens op allerlei manieren bewezen. 7Of heb ik soms een misdaad begaan door u zonder enige vergoeding Gods evangelie te verkondigen? Wanneer ik me daarmee vernederd heb, was het alleen om u te verheffen. 8Andere gemeenten heb ik geplunderd door geld aan te nemen om u van dienst te kunnen zijn. 9Maar tijdens mijn verblijf bij u heb ik niemand om hulp gevraagd toen ik in geldnood kwam; het zijn de broeders uit Macedonië geweest die hebben aangevuld wat mij ontbrak. Ik heb er altijd voor gewaakt u iets te kosten, en zal dat blijven doen. 10Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is, die roem zal ik mij nergens in Achaje laten ontnemen. 11En waarom hecht ik daar zo aan? Omdat ik u niet lief zou hebben? God weet dat ik dat wel doe. 12Ik zal mijn werk op deze manier blijven doen, zodat de apostelen die zo opscheppen over het geld dat ze opstrijken niet de kans krijgen zich aan ons gelijk te stellen. 13Schijnapostelen zijn het, die zich door oneerlijk te werk te gaan voordoen als apostelen van Christus. 14Dat is ook geen wonder, want niemand minder dan Satan vermomt zich als een engel van het licht. 15Het ligt dus voor de hand dat ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren van de gerechtigheid. Maar ze zullen krijgen wat ze verdienen.

16Nogmaals, laat niemand denken dat ik een dwaas ben. Maar mocht u dat toch denken, accepteer me dan ook als een dwaas en sta me toe dat ook ik eens opschep over mezelf. 17Wat ik nu ga zeggen komt niet van de Heer, het is de grootspraak van een dwaas. 18Wanneer er zovelen zijn die zich laten voorstaan op hun afkomst en prestaties, zal ik dat ook maar doen. 19U, die zo verstandig bent, verdraagt dwazen toch met het grootste gemak. 20Tenslotte verdraagt u het ook dat men u tiranniseert, uitzuigt, onderwerpt, zich boven u verheft en u beledigt. 21Tot mijn schande moet ik bekennen dat wij daarvoor te zwak zijn geweest.

Als anderen over zichzelf durven op te scheppen, durf ik het ook. Ik ben toch maar een dwaas. 22Zijn zij Hebreeën? Dat ben ik ook. Zijn zij Israëlieten? Dat ben ik ook. Zijn zij nakomelingen van Abraham? Dat ben ik ook. 23Zijn zij dienaren van Christus? Ik ben zo gek dat ik durf te zeggen: ik nog meer. Ik heb harder gezwoegd, heb vaker gevangengezeten, heb veel meer lijfstraffen ondergaan, ben vaker in doodsgevaar geweest. 24Door de Joden ben ik vijfmaal met veertig min één zweepslagen gestraft, 25ik ben driemaal met stokslagen gestraft, ik ben eenmaal met stenen bekogeld en heb driemaal schipbreuk geleden. Eén keer heb ik een heel etmaal op zee rondgedreven. 26Voortdurend was ik onderweg, bedreigd door rivieren, rovers, volksgenoten en vreemdelingen, in gevaar in de stad, in de woestijn, op zee en te midden van schijngelovigen. 27Ik heb gezwoegd en geploeterd, vaak zonder te slapen, hongerig en dorstig, vaak zonder te eten, verkleumd en zonder kleren. 28En los van wat ik nog meer zou kunnen noemen is er de druk waaronder ik dagelijks sta vanwege mijn zorg voor de gemeenten. 29Is iemand zwak, dan ben ik het ook; wordt iemand ten val gebracht, dan ontsteek ik in woede.

30Als ik me dan toch op iets moet laten voorstaan, dan laat ik mij voorstaan op mijn zwakheid. 31De God en Vader van de Heer Jezus, de God die moet worden geprezen tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg. 32Toen ik in Damascus was, liet de etnarch van koning Aretas de stad afsluiten om mij gevangen te nemen; 33ik kon alleen aan hem ontkomen doordat ik in een mand door een venster in de muur werd neergelaten.

1Ik word er wel toe gedwongen hoog van mezelf op te geven. Daarom zal ik, hoewel het geen enkel doel dient, het hebben over visioenen en openbaringen die de Heer schenkt. 2Ik ken een volgeling van Christus die veertien jaar geleden tot in de derde hemel werd weggevoerd – in zijn lichaam of buiten zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen. 3Maar ik weet dat deze man – in zijn lichaam of zonder zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen – 4werd weggevoerd tot in het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die geen mens kan en mag uitspreken. 5Van zo iemand wil ik hoog opgeven. Wat mijzelf betreft zal ik me slechts laten voorstaan op mijn zwakheden. 6En zelfs al zou ik hoog van mezelf willen opgeven, dan nog zou ik geen dwaas zijn, want ik zou de waarheid spreken. Maar ik zie ervan af, want ik wil worden beoordeeld op grond van wat men van mij hoort en ziet, 7niet op grond van de uitzonderlijke openbaringen die ik heb gekregen. Om te verhinderen dat ik mezelf zou verheffen, werd mij een doorn in het vlees gestoken: ik word gekweld door een engel van Satan. 8Ik heb de Heer driemaal gesmeekt ervoor te zorgen dat hij bij me wegging. 9Zijn antwoord was: ‘Je hebt genoeg aan mijn genade, want mijn kracht openbaart zich juist ten volle wanneer iemand zwak is.’ Dus laat ik me veel liever voorstaan op mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij komt wonen. 10Daarom schep ik vreugde in mijn zwakheden, in beledigingen, nood, vervolging en ellende die ik onderga omwille van Christus. In mijn zwakheid ben ik sterk.

11Ik heb me aangesteld als een dwaas, maar u hebt me ertoe gedwongen. U had me moeten aanbevelen. Want ik mag dan onbeduidend zijn, ik doe toch echt niet onder voor die geweldige apostelen van u. 12Alles wat een apostel tot apostel maakt, heb ik u laten zien: volharding in alles, tekenen, wonderen en grote daden. 13Bent u in vergelijking met de andere gemeenten ook maar iets tekortgekomen? Ja, dit: ik heb u niets gekost. Vergeef me deze onrechtvaardigheid.

Aankondiging van een derde bezoek

14Ik sta klaar om u nu voor de derde keer te bezoeken, en ik zal u niets kosten. Het gaat mij niet om uw geld, maar om u. Niet de kinderen moeten voor de ouders sparen, maar de ouders voor de kinderen. 15Ik wil graag alles wat ik bezit aan u geven, tot mezelf toe. Maar neemt uw liefde voor mij soms af naarmate mijn liefde voor u toeneemt? 16U geeft toe dat ik geen beroep op u heb gedaan, maar ik zou volgens u wel zo geslepen zijn geweest dat ik u bedrogen heb. 17Is er ook maar iemand die ik naar u toe gestuurd heb om u uit te buiten? 18Ik heb Titus aangespoord opnieuw naar u toe te gaan en heb een broeder met hem meegestuurd. Heeft Titus u uitgebuit? Hebben hij en ik niet in dezelfde geest gehandeld? Hebben wij niet hetzelfde spoor gevolgd? 19U denkt natuurlijk al de hele tijd dat we ons tegenover u aan het verdedigen zijn. Maar wij spreken ten overstaan van God en in eenheid met Christus, en alles wat we tegen u zeggen, geliefde broeders en zusters, is juist opbouwend. 20Ik ben namelijk bang dat ik u bij mijn komst anders zal aantreffen dan ik zou wensen, en dat onze ontmoeting dus anders zal uitpakken dan u wilt. Ik ben bang voor tweespalt, jaloezie, woede, gekonkel, kwaadsprekerij, geroddel, arrogantie en wanorde. 21Ik ben bang dat mijn God mij bij mijn bezoek opnieuw zal vernederen en ik opnieuw verdriet zal hebben om al die broeders en zusters die zijn blijven zondigen en zich niet hebben afgekeerd van hun zedeloosheid, ontucht en losbandigheid.

1Ik kom nu voor de derde keer naar u toe. U weet: iedere zaak kan met een verklaring van twee of drie getuigen worden beslecht. 2Welnu, ik heb het tegen degenen die maar bleven zondigen en ook tegen alle anderen al gezegd toen ik de tweede keer bij u was, en ik zeg het u op dit moment, nu ik nog niet bij u ben, opnieuw: wanneer ik weer kom zal ik u niet sparen. 3Dan krijgt u het bewijs waar u om vraagt: dat mijn woorden die van Christus zijn – Christus, die tegenover u niet zwak is maar u juist zijn kracht toont. 4Ook al werd Hij gekruisigd omdat Hij, als mens, zwak was, nu leeft Hij door Gods kracht; en ook al zijn wij zwak in eenheid met Hem, u zult merken dat wij net als Hij leven door Gods kracht.

5Onderzoek bij uzélf of het geloof uw leven bepaalt, stel uzelf op de proef. U weet toch van uzelf dat Jezus Christus in u is? Als dat niet zo is, dan hebt u de proef niet doorstaan. 6Ik hoop dat u zult inzien dat dit wel voor ons geldt. 7Wij bidden God dat u het kwade nalaat, niet om te bewijzen dat wij geslaagd zijn, maar omdat u het goede moet doen, ook al zou het lijken alsof wij gefaald hebben. 8Wij kunnen ons immers niet tegen de waarheid verzetten, we kunnen ons er slechts voor inzetten. 9Het zou ons werkelijk verheugen wanneer wij zwak kunnen zijn omdat u sterk bent; we bidden ervoor dat u zich zult beteren. 10Ik ben nu niet bij u, maar schrijf u dit alles om bij mijn bezoek niet streng te hoeven optreden, want het gezag dat de Heer mij heeft gegeven is bedoeld om op te bouwen, niet om af te breken.

11Tot slot, broeders en zusters, wees verheugd. Beter uw leven, neem mijn vermaningen ter harte, wees eensgezind, leef in vrede met elkaar – dan zal de God van de liefde en de vrede met u zijn. 12Groet elkaar met een heilige kus. Alle heiligen die hier zijn laten u groeten.

13De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de eenheid met de heilige Geest zij met u allen.

2 Korintiërs 10-13NBV21Open in de Bijbel

1Een gebed van David.

Hoor mij, HEER, en antwoord mij,

ik ben verzwakt en arm.

2Behoed mij, want ik ben U toegewijd,

red uw dienaar, die op U vertrouwt,

U bent mijn God.

3Wees mij genadig, Heer,

heel de dag roep ik tot U,

4verblijd het hart van uw dienaar,

naar U verlang ik, Heer.

5U, Heer, bent goed en tot vergeving bereid,

uw trouw is groot voor ieder die U aanroept.

6Hoor mijn gebed, HEER,

luister naar mijn smeken.

7In dit uur van mijn nood roep ik U aan,

want U geeft mij antwoord.

8Geen god is U gelijk, Heer,

uw daden zijn zonder weerga.

9Alle volken, door U gemaakt, komen

en buigen zich, Heer, voor U

en prijzen uw naam.

10U bent groot, U doet wonderen,

U alleen bent God.

11Wijs mij uw weg, HEER,

laat mij wandelen op het pad van uw waarheid,

vervul mijn hart met ontzag voor uw naam.

12U, Heer, mijn God, zal ik loven met heel mijn hart,

uw naam voor eeuwig prijzen.

13Want U toont mij uw grote trouw,

U verlost mij uit de diepte van het dodenrijk.

14God, een opstandige bende komt op mij af,

met geweld bedreigen zij mijn leven,

zij houden U niet voor ogen.

15U, Heer, bent een God die liefdevol is en genadig,

geduldig, trouw en waarachtig.

16Keer u tot mij en wees mij genadig,

schenk kracht aan uw dienaar,

red het kind van uw dienares.

17Geef mij een teken van uw goedheid,

dan staan mijn haters beschaamd, zij zien

dat U, HEER, mij bijstaat en troost.

Psalmen 86NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons