Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 132 / Joz. 4-6

Bijbeltekst(en)

1Nadat het hele volk de Jordaan was overgetrokken, zei de HEER tegen Jozua: 2‘Kies nu twaalf mannen, één uit elke stam, 3en zeg hun dat ze van de plaats waar de priesters in de Jordaan staan twaalf stenen moeten halen. Die moeten ze meenemen en in het kamp leggen waar jullie vannacht zullen verblijven.’ 4Jozua liet twaalf mannen aanwijzen, één uit elke stam van Israël, en nadat hij hen bij elkaar geroepen had, 5zei hij tegen hen: ‘Ga voor de ark van de HEER, uw God, de Jordaan in. U moet allemaal één steen op uw schouders nemen, één voor elke stam van Israël. 6Ze zullen een gedenkteken voor u zijn. Wanneer uw kinderen later zullen vragen wat die stenen betekenen, 7dan moet u ze vertellen dat het water van de Jordaan werd tegengehouden door de aanwezigheid van de ark van het verbond met de HEER. Vertel ze dat toen de ark de Jordaan in ging het water werd afgesneden en dat deze stenen daarvan voor Israël een eeuwig gedenkteken zijn.’ 8De mannen deden wat Jozua hun had gezegd. Ze haalden twaalf stenen uit de Jordaan, één voor elke stam, zoals de HEER aan Jozua had opgedragen. Ze droegen de stenen met zich mee naar het kamp en legden ze daar neer. 9Jozua richtte ook twaalf stenen op in het midden van de Jordaan, op de plaats waar de priesters stonden die de ark van het verbond droegen. Die stenen staan daar tot op de dag van vandaag.

10De priesters die de ark droegen, bleven in het midden van de Jordaanbedding staan totdat de opdracht van de HEER die Jozua aan het volk had gegeven volledig was uitgevoerd, in overeenstemming met wat Mozes hem had opgedragen. Het volk stak zo snel mogelijk over, 11en toen iedereen aan de overkant was trok ook de ark van de HEER met de priesters naar de overkant, om weer voor het volk uit te gaan. 12Ook de stammen Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse trokken in slagorde voor Israël uit, zoals Mozes hun bevolen had. 13De voorhoede van het leger, zo’n veertigduizend man, trok nog voor de ark van de HEER uit ten strijde naar de vlakte van Jericho. 14Op die dag verhoogde de HEER het aanzien van Jozua bij de Israëlieten, zodat ze zijn leven lang ontzag voor hem hadden, zoals ze ook voor Mozes hadden gehad.

15De HEER zei tegen Jozua: 16‘Zeg tegen de priesters die de ark met de verbondstekst dragen dat ze uit de Jordaan komen.’ 17Op bevel van Jozua 18kwamen de priesters die de ark van het verbond met de HEER droegen uit de Jordaan, en zodra hun voeten de oever betraden hernam het water zijn loop en trad de rivier weer buiten haar oevers, zoals eerst.

19Het volk bereikte de overkant van de Jordaan op de tiende dag van de eerste maand, en het sloeg zijn kamp op bij Gilgal, iets ten oosten van Jericho. 20Daar richtte Jozua de twaalf stenen op die ze uit de Jordaan hadden meegenomen. 21Hij zei tegen de Israëlieten: ‘Wanneer uw kinderen later vragen wat deze stenen betekenen, 22dan moet u hun het volgende vertellen: “Israël is de Jordaan overgetrokken, en wel over de droge bedding. 23Want de HEER, jullie God, heeft de Jordaan voor jullie drooggelegd totdat jullie waren overgestoken, zoals Hij ook de Rietzee voor ons heeft drooggelegd tot we erdoorheen waren getrokken. 24Hierdoor zullen alle volken op aarde weten hoe machtig de HEER, jullie God, is, en zullen jullie altijd ontzag voor Hem hebben.”’

1Toen de koningen van de Amorieten ten westen van de Jordaan en de koningen van de Kanaänieten bij de zee hoorden dat de HEER de Jordaan had drooggelegd, zodat de Israëlieten konden oversteken, sloeg de angst voor Israël hun om het hart en werden ze door wanhoop bevangen.

Besnijdenis en Pesach

2Na de overtocht zei de HEER tegen Jozua: ‘Maak messen van vuursteen en besnijd de Israëlieten opnieuw.’ 3Hierop maakte Jozua vuurstenen messen waarmee hij de Israëlieten besneed, bij de Voorhuidenheuvel. 4Deze besnijdenis was nodig om de volgende reden: Alle weerbare mannen die uit Egypte waren weggetrokken, waren na de uittocht gestorven, onderweg in de woestijn. 5Van het volk dat weggetrokken was waren alle mannen besneden geweest, maar de mannen die na de uittocht waren geboren, toen het volk onderweg was in de woestijn, waren niet besneden. 6Want Israël trok veertig jaar door de woestijn, totdat alle weerbare mannen die uit Egypte waren weggetrokken, gestorven waren. Ze hadden niet geluisterd naar de HEER, en daarom had de HEER hun gezworen dat Hij hun niet het land zou laten zien dat Hij ons zou geven, zoals Hij hun voorouders onder ede had beloofd: het land dat overvloeit van melk en honing. 7Hij liet hun plaats innemen door hun zonen, en hen besneed Jozua nu, omdat dit onderweg niet gedaan was. 8Nadat ze allemaal waren besneden, moesten ze in hun tenten blijven tot ze hersteld waren. 9En de HEER zei tegen Jozua: ‘Vandaag heb Ik de schande van Egypte van jullie afgewenteld.’ Jozua noemde die plaats Gilgal, en zo heet het daar tot op de dag van vandaag.

10Daar in hun kamp bij Gilgal, op de vlakte van Jericho, bereidden de Israëlieten in de avond van de veertiende dag van die eerste maand het pesachoffer. 11Al één dag na het pesachoffer aten ze ongedesemd brood en geroosterd graan van de opbrengst van het land. 12Er kwam die dag geen manna meer; de Israëlieten kregen vanaf toen nooit meer manna. Ze aten dat jaar van de opbrengst van de akkers van Kanaän.

Vernietiging van Jericho

13Toen Jozua enige tijd later in de omgeving van Jericho liep, zag hij plotseling een man tegenover zich met een getrokken zwaard in de hand. Jozua ging op hem af en vroeg: ‘Hoor je bij ons of bij de vijand?’ 14De man antwoordde: ‘Bij geen van beide, ik ben de aanvoerder van het leger van de HEER. Daarom ben ik hier.’ Jozua viel op zijn knieën, boog diep voorover en vroeg hem: ‘Mijn heer, ik ben uw dienaar, wat beveelt u mij?’ 15De aanvoerder van het leger van de HEER zei tegen Jozua: ‘Trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig.’ Jozua deed wat hem bevolen was.

1Jericho was toen al volkomen afgegrendeld uit angst voor de Israëlieten, er kon niemand in of uit. 2De HEER zei tegen Jozua: ‘Ik lever Jericho met zijn koning en al zijn dappere krijgslieden aan je uit. 3Jullie moeten om de stad trekken; alle weerbare mannen moeten eenmaal om de stad gaan, en dat zes dagen achter elkaar. 4Er moeten zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark van het verbond uit gaan, terwijl ze op hun ramshoorn blazen. Maar op de zevende dag moeten jullie zevenmaal om de stad trekken, 5en als jullie dan de ramshoorns horen schallen, moet het volk uitbarsten in luid geschreeuw. De muur van de stad zal dan instorten en iedereen zal de stad binnenklimmen vanaf de plaats waar hij zich bevindt.’

6Jozua, de zoon van Nun, liet toen de priesters komen en gaf hun de opdracht: ‘Neem de ark van het verbond op. Zeven priesters moeten met zeven ramshoorns voor de ark van de HEER uit gaan.’ 7En tegen het volk zei hij: ‘Trek op naar de stad, trek eromheen en laat de voorhoede van het leger voor de ark van de HEER uit gaan.’ 8Het gebeurde zoals Jozua had bevolen. Zeven priesters gingen met zeven ramshoorns voor de HEER uit; ze trokken al blazend op de ramshoorns op naar de stad. De ark van het verbond met de HEER kwam achter hen aan, 9de voorhoede ging voor de priesters uit die op de ramshoorns bliezen en de rest van de mannen kwam achter de ark. De ramshoorns klonken onophoudelijk, 10maar Jozua had strijdkreten verboden. ‘Laat uw stem niet horen,’ had hij gezegd, ‘slaak geen enkele kreet tot het moment waarop ik u dat beveel.’ 11Jozua liet de ark van de HEER eenmaal om de hele stad trekken. Daarna gingen de Israëlieten terug naar het kamp, waar ze overnachtten.

12De volgende dag stond Jozua in alle vroegte op. De priesters namen de ark van de HEER op, 13de zeven priesters met de zeven ramshoorns trokken al blazend op de hoorns voor de ark van de HEER uit, de voorhoede ging voor hen uit en de rest van de mannen kwam achter de ark van de HEER. Onophoudelijk klonken de ramshoorns. 14De Israëlieten trokken ook op de tweede dag eenmaal om de stad en gingen daarna terug naar het kamp. Zo deden ze zes dagen.

15Op de zevende dag stonden ze bij dageraad op en trokken op dezelfde wijze om de stad, maar nu zevenmaal. Alleen op deze dag trokken ze zevenmaal om de stad. 16Bij de zevende maal, toen de priesters de ramshoorns lieten schallen, beval Jozua het volk: ‘Schreeuw, want de HEER heeft u Jericho in handen gegeven! 17Maar op de stad rust de ban van de HEER: ze is, met alles wat erin is, onvoorwaardelijk aan de HEER gewijd en moet vernietigd worden. Alleen de hoer Rachab mag in leven blijven, samen met iedereen die bij haar in huis is, want zij heeft onze verkenners een schuilplaats gegeven. 18Maar denk eraan dat op al het andere een ban rust. Dus vernietig de stad zonder iets buit te maken, anders geeft u Israëls eigen kamp aan de vernietiging prijs en stort u Israël in het ongeluk. 19Al het zilver en goud en alle voorwerpen van koper, brons en ijzer zijn aan de HEER gewijd; alles gaat naar de schatkamer van de HEER.’

20Toen de ramshoorns schalden, brak het volk uit in een donderend geschreeuw. De muur stortte in en iedereen klom de stad binnen vanaf de plaats waar hij zich bevond. Ze namen de stad in 21en doodden alles wat erin was, zowel mannen als vrouwen, zowel kinderen als oude mensen, zowel runderen als schapen en ezels. 22Maar aan de twee mannen die het gebied hadden verkend droeg Jozua op: ‘Ga naar het huis van die hoer en breng haar met haar hele familie naar buiten, zoals jullie haar hebben gezworen.’ 23De verkenners brachten Rachab naar buiten, samen met haar vader en moeder, broers en zussen en verdere familie, en gaven hun een verblijfplaats buiten het kamp van Israël. 24De Israëlieten lieten de stad met alles wat erin was in vlammen opgaan; alleen het zilver en goud en de koperen, bronzen en ijzeren voorwerpen brachten ze in de schatkamer van het heiligdom van de HEER. 25Maar de hoer Rachab werd door Jozua gespaard, samen met haar hele familie. Hun nakomelingen wonen tot op de dag van vandaag onder de Israëlieten, want Rachab had de mannen die in opdracht van Jozua Jericho moesten verkennen een schuilplaats gegeven.

26Op die dag sprak Jozua de volgende vervloeking uit: ‘Moge de HEER eenieder vervloeken die het waagt deze stad, Jericho, weer op te bouwen. Hij zal de fundamenten leggen ten koste van zijn oudste zoon en de poortdeuren bevestigen ten koste van zijn jongste zoon.’ 27En de HEER stond Jozua bij en zijn roem ging door het hele land.

Jozua 4-6NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons