Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 131 / Joz. 1-3

Vandaag beginnen we in het Bijbelboek Jozua. Het boek Jozua gaat verder waar het verhaal van Deuteronomium ophoudt. Het volk Israël heeft veertig jaar door de woestijn getrokken. Nu mogen ze eindelijk het beloofde land in bezit nemen. De taal van het boek Jozua lijkt op de taal van het boek Deuteronomium. Ook de inhoud van de boeken lijkt op elkaar. Je zou Deuteronomium en Jozua ‘tweelingboeken’ kunnen noemen.

Het boek Jozua is geen gewoon geschiedenisboek. Het gaat in dit boek om de afspraken tussen God en Israël, en om de afspraken tussen de stammen van Israël. De boodschap is dat het volk Israël trouw moet zijn aan God. Hij heeft de Israëlieten gered van de slavernij.

In het boek Jozua komt veel geweld voor. Het kan helpen om steeds te kijken waarom er geweld gebruikt wordt. Volgens het boek Jozua is het heel belangrijk dat het volk Israël in Kanaän een nieuwe start kan maken met God. De regels van God gaan vanaf nu gelden in dit land.

Lees hier een inleiding op dit Bijbelboek

Bijbeltekst(en)

Opdracht van de HEER aan Jozua

1Na de dood van Mozes, de dienaar van de HEER, zei de HEER tegen Jozua, de zoon van Nun en de rechterhand van Mozes: 2‘Nu mijn dienaar Mozes is gestorven, moet jij je gereedmaken om met heel dit volk de Jordaan over te trekken en het land binnen te gaan dat Ik het volk van Israël zal geven. 3Elk stuk grond dat jullie zullen betreden geef Ik jullie, zoals Ik Mozes heb beloofd. 4Jullie gebied zal zich uitstrekken van de woestijn tot aan de Libanon, en van de grote rivier, de Eufraat, met het land van de Hethieten, tot aan de Grote Zee in het westen. 5Zolang je leeft zal niemand tegen je kunnen standhouden. Zoals Ik Mozes heb bijgestaan, zo zal Ik ook jou bijstaan. Ik zal niet van je zijde wijken en je niet verlaten. 6Wees vastberaden en standvastig, want onder jouw leiding zal dit volk het land verkrijgen dat Ik hun voorouders onder ede heb beloofd. 7En houd je vóór alles vastberaden en standvastig aan de wet waarin mijn dienaar Mozes je heeft onderwezen. Wijk daar op geen enkele manier van af, opdat je in alles wat je doet zult slagen. 8Leg dat wetboek geen moment terzijde en verdiep je er dag en nacht in, opdat je je aan alles houdt wat erin geschreven staat. Dan zal alles wat je onderneemt voorspoedig verlopen. 9Ik gebied je dus: wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de HEER, je God, staat je bij.’

10Jozua gaf toen de schrijvers van het volk de opdracht: 11‘Ga het hele kamp door en zeg tegen het volk dat het voor proviand moet zorgen. Het zal over drie dagen de Jordaan overtrekken om het land in bezit te nemen dat de HEER, hun God, hun zal geven.’ 12Tegen de stammen Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse zei hij: 13‘Denk aan wat Mozes, de dienaar van de HEER, u heeft voorgehouden: “De HEER, uw God, zal u rust schenken en u dit gebied geven.” 14Uw vrouwen, kinderen en vee mogen in dit gebied blijven, dat Mozes u aan deze zijde van de Jordaan heeft toegewezen. Maar alle weerbare mannen onder u moeten hun broeders in slagorde voorgaan in de strijd om ze te steunen, 15totdat de HEER u allemaal rust geeft en ook zij het gebied in bezit hebben genomen dat de HEER, uw God, hun geeft. Pas dan mag u teruggaan en uw eigen gebied in bezit nemen dat Mozes, de dienaar van de HEER, u ten oosten van de Jordaan heeft toegewezen.’ 16Zij antwoordden Jozua: ‘We zullen alles doen wat u ons bevolen hebt en overal naartoe gaan waar u ons heen stuurt. 17Zoals we naar Mozes hebben geluisterd, zo zullen we naar u luisteren. Moge de HEER, uw God, u dan bijstaan, zoals Hij Mozes heeft bijgestaan. 18Iedereen die niet naar u luistert en zich tegen uw bevelen verzet, tegen welk bevel dan ook, zal worden gedood. Wees vastberaden en standvastig.’

Spionnen in Jericho

1Hierna stuurde Jozua, de zoon van Nun, vanuit Sittim in het geheim twee spionnen op pad met de opdracht om het hele gebied, en vooral Jericho, te verkennen. De mannen vertrokken. Toen ze in Jericho waren gekomen, vonden ze onderdak bij een hoer, Rachab genaamd, bij wie ze wilden overnachten. 2Maar toen de koning van Jericho hoorde dat er die avond spionnen van Israël waren gekomen, 3liet hij Rachab het volgende bevel geven: ‘Lever ze uit, die mannen die bij je zijn, want ze zijn hier om te spioneren.’ 4Maar Rachab – die de twee mannen verborgen had – zei: ‘Die mannen hebben mij inderdaad bezocht, maar ik weet niet waar ze vandaan kwamen. 5Ze zijn vertrokken vlak voordat het donker werd en de poort zou worden gesloten. Ik heb geen idee waar ze naartoe zijn gegaan. Ga ze snel achterna, dan haalt u ze nog in.’ 6Rachab had de mannen naar het dak gebracht en ze daar verborgen onder bundels vlas. 7Hun achtervolgers vertrokken meteen in de richting van de Jordaan, naar de oversteekplaatsen. Zodra ze de stad hadden verlaten werd de poort gesloten.

8Rachab ging naar het dak voordat de mannen in slaap zouden zijn. 9‘Ik weet,’ zei ze tegen hen, ‘dat de HEER dit land aan jullie heeft gegeven. Wij zijn doodsbang voor jullie. Alle inwoners van dit land sidderen, 10want we hebben gehoord dat de HEER de Rietzee voor jullie heeft drooggelegd toen jullie uit Egypte wegtrokken en dat jullie Sichon en Og, de twee koningen van de Amorieten aan de overkant van de Jordaan, hebben vernietigd. 11Toen we dat hoorden, sloeg de angst ons om het hart en werden we wanhopig. De HEER, jullie God, is immers een God die macht heeft boven in de hemel en hierbeneden op aarde. 12Zweer me dan bij de HEER dat jullie mijn familie en mij goed zullen behandelen. Ik heb jullie toch ook goed behandeld? Zweer het me, geef me de zekerheid 13dat jullie mijn vader en moeder, mijn broers en zussen en hun kinderen zullen sparen. Red ons van de dood!’ 14De mannen antwoordden haar: ‘We staan voor jullie borg met ons leven, op voorwaarde dat jullie onze plannen niet verraden. Wanneer de HEER ons dit land gegeven heeft, zullen we je goed behandelen en je trouw bewijzen.’

15Rachab woonde in een huis in de stadsmuur. Ze liet de spionnen langs een touw door het venster naar beneden zakken. 16‘Probeer in de bergen te komen,’ zei ze, ‘anders vinden de achtervolgers jullie. Houd je daar drie dagen schuil, totdat ze teruggekomen zijn. Ga daarna pas weg.’ 17De mannen zeiden: ‘We zijn niet in alle gevallen gebonden aan de eed die je ons hebt laten zweren. 18Wanneer we dit land binnentrekken, moet je dit rode koord aan het venster binden waardoor je ons hebt laten zakken. Zorg er dan voor dat je vader en moeder, je broers en zussen en je hele verdere familie bij je in huis zijn. 19Wie van jullie dan naar buiten gaat, is zelf schuldig aan zijn dood. In dat geval zijn we niet aan onze eed gebonden. Maar wordt er ook maar iemand kwaad gedaan die binnen blijft, dan zijn wij schuldig. 20En we zijn ook niet gebonden aan de eed die je ons hebt laten zweren als je onze plannen verraadt.’ 21Rachab stemde hiermee in en liet de mannen gaan. En ze bond het rode koord aan het venster.

22De mannen gingen de bergen in en bleven daar drie dagen, totdat de achtervolgers waren teruggekeerd. Ze hadden overal gezocht, maar niemand gevonden. 23Toen kwamen de twee mannen de bergen uit, staken de Jordaan over en meldden zich bij Jozua, de zoon van Nun, aan wie ze alles vertelden wat hun overkomen was. 24Ze zeiden hem: ‘De HEER heeft ons het hele land in handen gegeven, de inwoners sidderen voor ons.’

Overtocht over de Jordaan

1De volgende ochtend vroeg trok Jozua met het hele volk weg uit Sittim. Ze kwamen tot aan de Jordaan, waar ze drie dagen bleven voor ze overtrokken. 2Toen die drie dagen voorbij waren, gingen de schrijvers het kamp door 3om het volk te zeggen: ‘Wanneer u de Levitische priesters de ark van het verbond met de HEER, uw God, ziet dragen, dan moet u het kamp opbreken en de ark volgen. 4Maar blijf op grote afstand, ongeveer tweeduizend el, kom niet dichterbij. Dan kunt u zien welke weg u moet volgen, want u bent hier nooit eerder geweest.’ 5En Jozua zei tegen het volk: ‘Reinig u, want morgen zal de HEER in uw midden wonderen verrichten.’

6De volgende dag gaf hij de priesters de opdracht: ‘Ga met de ark van het verbond voor het volk uit.’ De priesters namen toen de ark van het verbond op en gingen voor het volk uit, 7en de HEER zei tegen Jozua: ‘Vanaf vandaag zal Ik je aanzien bij de Israëlieten verhogen, zodat ze weten dat Ik je bijsta, zoals Ik Mozes heb bijgestaan. 8Zeg tegen de priesters die de ark van het verbond dragen dat ze, zodra ze bij de oever van de Jordaan zijn gekomen, in het water moeten blijven staan.’ 9Jozua riep toen het volk bij elkaar en zei: ‘Luister naar de woorden van de HEER, uw God.’ En hij vervolgde: 10‘U zult merken dat de levende God in uw midden is en beseffen dat Hij het is die de Kanaänieten en de Hethieten, de Chiwwieten en de Perizzieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten voor u verdrijft. 11De ark van het verbond met de Heer van de hele aarde gaat immers voor u uit de Jordaan in. 12Kies nu twaalf mannen, één uit elke stam van Israël. 13De priesters dragen de ark van de HEER, de Heer van de hele aarde. Zodra hun voeten het water van de Jordaan raken, zal de stroom tot stilstand komen en zal het water oprijzen als een dam.’

14Toen het volk het kamp had opgebroken om de Jordaan over te trekken, gingen de priesters die de ark van het verbond droegen voor het volk uit. 15Zodra de priesters bij de Jordaan waren gekomen en hun voeten door het water werden omspoeld – de Jordaan stond de hele oogsttijd buiten haar oevers –, 16kwam het water tot stilstand en vormde het een dam, heel in de verte bij de stad Adam, die vlak bij Saretan ligt. Hierdoor werd de stroom in de richting van de Dode Zee, ofwel de Zoutzee, volledig afgesneden en kon het volk ter hoogte van Jericho oversteken. 17De priesters die de ark van het verbond met de HEER droegen bleven precies in het midden van de rivierbedding staan, terwijl heel Israël overstak, tot iedereen aan de overkant van de Jordaan was.

Jozua 1-3NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons