Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Filippenzen 2:1-11 – Preekinspiratie 

Waar gaat het om in dit gedeelte? 

Paulus verbindt de hymne in Filippenzen 2:1‑11 met een aansporing tot nederigheid en daagt de Filippenzen op die manier uit: net zoals degene die ‘de gestalte van God had’ gehoorzaamde aan Gods wil en daarom de waardigheid van zijn oorspronkelijke status aflegde, zo moeten de Filippenzen zijn voorbeeld van nederigheid en gehoorzaamheid volgen. 

Klik om deze passage te lezen in de NBV21  

Hier kun je (als je bent ingelogd) deze tekst lezen in verschillende vertalingen.

En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier de passage in verschillende vertalingen met aantekeningen (tip: zet bij ‘Persoonlijk’ ‘Toon voetnoten’ en ‘Toon verwijzingen’ aan).

Invalshoeken voor de verkondiging 

  • Paulus begint niet met een opdracht, maar met vier herinneringen aan wat de gemeente al van God ontvangen heeft: bemoediging in Christus, liefdevolle troost, gemeenschap van de Geest en hartelijk medeleven. De opdracht is niet iets wat vanaf een nulpunt begint, maar als antwoord op ontvangen genade. Dat is wellicht een les voor als er strubbelingen zijn: denk eens aan het goede dat er is en dat dát de basis is om eensgezind te zijn. 
  • Paulus verbindt ware eenheid met concrete nederigheid: geen rivaliteit of lege eerzucht, maar de ander hoger achten en oog hebben voor diens belangen. Dat is geen zelfverwaarlozing, maar het doorbreken van ons instinct tot zelfgerichtheid. Hoe werkt de houding van Christus in ons door? En maken wij ruimte – in tijd en aandacht – voor God en voor elkaar? 
  • In onze samenleving lijkt vaak degene met de grootste mond of het sterkste ego het verst te komen; leiderschap wordt geregeld verward met zelfverheerlijking of grootspraak. Paulus houdt daar de weg van Christus tegenover: Hij ontledigde zichzelf (dat wil zeggen: legde de gestalte van God af), koos voor de weg van vernedering en droeg zelfs de ontmenselijkende kruisdood. Juist daarom verhoogde God Hem. Deze omkering roept de vraag op: lukt het ons om iets van die zelfontlediging toe te passen en afstand te doen van bepaalde privileges? Waar wordt dat zichtbaar in ons dagelijkse doen en laten? 
  • In Filippenzen 1:27 en 2:5 is het doel een gezamenlijk streven naar eenheid. En die eenheid wordt in de hymne bezongen met het visioen dat de hele schepping – hemel, aarde en onder de aarde – Christus zal erkennen. De kerk is onderweg naar dat visioen. Tegelijk leven wij nog in de spanning van het ‘al’ en het ‘nog niet’. Hoe leeft in ons de verwachting van Gods komende heerschappij? En hoe zet die verwachting ons aan tot handelen dat nu al in lijn ligt met die toekomstige werkelijkheid? 

Context van Filippenzen 2:1-11

Het boek Filippenzen als geheel 

Meer over de opbouw, stijl, centrale thema’s en andere achtergrond bij het boek Filippenzen vind je in deze inleiding op Filippenzen.

Plek van deze passage in het geheel 

In de opbouw van Filippenzen is 2:1-11 het hart van Paulus’ morele oproep aan de gemeente om standvastig en eensgezind te zijn. Hij prijst de gemeente om haar trouw, maar die is ook kwetsbaar voor interne spanningen. Na een dankzegging (1:3-11) en verslag van zijn eigen situatie (1:12-26) spoort Paulus de gemeente aan om ‘in overeenstemming met het evangelie van Christus te leven’ (1:27a) en om tegenstanders te bestrijden door één van geest te zijn (1:27b-30). Daarop volgt 2:1-4, een tweede aansporing, waarin hij hen oproept tot eensgezindheid, nederigheid en onderlinge liefde. De hymne van 2:6-11 sluit daar direct op aan als het ultieme voorbeeld: de zelfvernedering en vervolgens verhoging van Christus. Dit vormt zowel het fundament als de motivatie voor de manier waarop de Filippenzen met elkaar behoren om te gaan. Zo functioneert de passage tegelijk als theologische kern en als illustratie van de ethische aansporing die Paulus in dit deel van de brief uitwerkt. 

Opbouw en kern van de passage 

Filippenzen 2:1-11 heeft een duidelijke tweedeling en binnen die delen een herkenbare retorische en poëtische structuur: 

  1. 2:1-4: Paulus bouwt dit deel op met een voorwaardelijke constructie: viermaal een ‘nu u deze dingen ontvangen heeft, maak mij dan’. Vier motieven (bemoediging in Christus, troost uit liefde, verbondenheid met de Geest, ontferming) leiden naar een centrale oproep: ‘maak mij dan volmaakt gelukkig door eensgezind te zijn’. Daarna volgen twee negatieve instructies (‘geen geldingsdrang, geen eigenwaan’) en twee positieve (‘in nederigheid de ander belangrijker achten’, ‘niet alleen je eigen belangen voor ogen hebben’).
  2. 2:5-11: Dit gedeelte is geschreven in poëtisch proza. Meestal beschouwt men het als een oudere hymne die Paulus citeert. De hymne bestaat uit twee bewegingen.

  • Vernedering (vs. 6-8): Christus’ bestaan ‘in de gestalte van God’, zijn vrijwillige ‘afstand van zijn positie’, het aannemen van de gestalte van een dienaar en gehoorzaamheid tot de kruisdood vormen een neerwaartse trapstructuur.

  • Verhoging (vs. 9-11): Daarna volgt een opwaartse tegenbeweging: God verhoogt Hem, geeft Hem de naam boven alle namen, wat culmineert in universele erkenning en aanbidding. Samen vormt de structuur een V‑vormige beweging (vernedering → verhoging), waarbij 2:1-4 en 2:5-11 thematisch gespiegeld zijn: de oproep tot nederigheid wordt gefundeerd in het voorbeeld van Christus’ zelfvernedering en Gods daaropvolgende verhoging. 

De kern van Filippenzen 2:1-11 is dat de gelovigen worden opgeroepen tot eensgezindheid en nederige gerichtheid op de ander, gefundeerd in het voorbeeld van Christus die zichzelf vernederde en door God verheven werd. 

Aantekeningen per vers 

Bij vers 1 

1Nu u door Christus zozeer bemoedigd wordt en liefdevol getroost, nu er onder u zo’n grote verbondenheid met de Geest is, zoveel hartelijk medeleven,

Filippenzen 2:1NBV21Open in de Bijbel

  • Nu: In het Grieks markeert het woord oun de overgang naar een nieuwe, maar uit het voorafgaande voortvloeiende aansporing. Een vertaling met ‘(als/indien) dan’ zou erg zwaar en formeel klinken. De vertaling van de NBV21, met twee zinnen die met het voegwoord ‘nu’ beginnen, drukt soepel en retorisch uit dat Paulus zijn eerdere oproep tot eenheid vervolgt en verdiept. 
  • Nu u door (…) zoveel hartelijk medeleven: Het Grieks heeft vier objectieve constateringen (‘als/omdat er bemoediging is […] als/omdat er troost is […]’) zonder dat Paulus expliciet zegt wie die bemoediging ‘geeft’ of wie die troost ‘ondergaat’. De NBV21 maakt die zinnen relationeel door werkwoorden in te voegen (‘nu u […] bemoedigd wordt’), waardoor de focus sterker komt te liggen op de gelovigen als ontvangers van deze gaven. Het Grieks heeft namelijk een voorkeur voor zelfstandige naamwoorden, terwijl er in het Nederlandse taaleigen juist een voorkeur is voor werkwoorden. De HSV volgt de Griekse zinsstructuur strikter en laat de formuleringen meer inhoudelijk open (‘Als er dan enige bemoediging is in Christus …’). 

Bij vers 2 

2maak mij dan volmaakt gelukkig door eensgezind te zijn, één in liefde, één in streven, één van geest.

Filippenzen 2:2NBV21Open in de Bijbel

  • maak mij dan volmaakt gelukkig: Paulus is in zijn gevangenschap (1:13) getroost door de Filippenzen die ‘bijgedragen [hebben] aan de verspreiding van het evangelie’ (1:5, vgl. 1:12-18b) en aan Paulus’ eigen redding (1:18c-21). Maar er ontbreekt één ding: eensgezindheid in de gemeenschap van Filippi. Voor Paulus is dat zelfs beter dan vrij te worden gelaten uit de gevangenis.  
  • eensgezind te zijn, één in liefde, één in streven, één van geest: De gemeente in Filippi was niet eensgezind. Dat had waarschijnlijk te maken met interpersoonlijke spanningen binnen de gemeente, zie bijvoorbeeld Paulus’ oproep aan Euodia en Syntyche om eensgezind te zijn (4:2-3). Dat duidt op een conflict tussen invloedrijke medewerkers. Daarnaast wijst Paulus op externe druk en tegenstand (1:28-30), waarschijnlijk maatschappelijke vijandigheid, die interne onrust kon versterken en de noodzaak van onderlinge eenheid urgent maakte. 

Bij vers 3 

3Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle nederigheid de ander belangrijker dan uzelf.

Filippenzen 2:3NBV21Open in de Bijbel

  • geldingsdrang: Het Griekse eritheia kan ook met ‘egoïsme’, ‘eerzucht’, ‘ambitie’ vertaald worden. In morele en filosofische literatuur in Paulus’ tijd duidt eritheia op ego-gedreven rivaliteit en zelfzuchtige partijvorming, precies het soort houding dat Paulus in vers 3 afwijst omdat het ware eenheid en nederigheid ondermijnt. 
  • eigenwaan: Het Griekse kenodoxia is samengesteld uit kenos (‘leeg’) en doxa ‘eer/glorie/aanzien’ en was een ondeugd. Het werd in filosofische en morele literatuur vaak gebruikt om een persoon te typeren die op uiterlijk vertoon, statuscompetitie of publieke bewondering gericht is, terwijl het karakter leeg blijft – een houding die zowel de stoïcijnen als de cynici fel bekritiseerden. Het woord kenos vinden we terug in het werkwoord dat in vers 7 gebruikt wordt: ‘maar deed afstand van zijn positie’ (letterlijk: Hij ledigde zichzelf). 
  • maar acht in alle nederigheid (…): In de Grieks‑Romeinse wereld had tapeinofrosunē vaak een negatieve bijklank en werd het geassocieerd met laagheid, onderdanigheid of slaafse gezindheid; het soort houding dat niet past bij een vrij mens en dat haaks staat op de idealen van eer, zelfrespect en sociale status. Maar hier presenteert Paulus het als een deugd. Die omkering van de culturele connotatie is opvallend. Het woord krijgt een positieve morele waarde: een bewuste, vrijwillige nederigheid die niet vernedering betekent, maar een houding van zelfvergetende gerichtheid op de ander, wat weer in 2:8 terugkomt in ‘heeft Hij zich vernederd’. Om iets over te brengen van het tegendraadse gebruik van deze term is de te zachte vertaling ‘bescheidenheid’ (NBV) aangepast naar ‘nederigheid’ (NBV21).

Bij vers 4 

4Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen, maar ook die van de ander.

Filippenzen 2:4NBV21Open in de Bijbel

  • ook: In sommige handschriften ontbreekt dit woord. De keuze voor kai is voor de uitleg belangrijk: handschriften mét kai laten Paulus zeggen dat je niet op je eigen belangen moet letten, maar ook op die van anderen – eigen belangen zijn dus niet per se uitgesloten, maar ondergeschikt. In de manuscripten zonder kai ontstaat een scherper contrast: je moet afzien van je eigen belangen en je uitsluitend richten op die van de ander. Volgens een recente uitleg is het van belang dat ‘uw eigen’ en ‘de ander’ in het meervoud staan. Het gaat niet om de onderschikking van het individu, maar de verschillende groepen in de gemeente moeten het algemene belang laten voorgaan. Dan zou je het vers als volgt kunnen parafraseren: ‘Laat elk van u niet de belangen van zijn eigen groep voor ogen houden, maar liever iedereen van jullie de belangen van alle anderen.’ 

Bij vers 5 

5Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had.

Filippenzen 2:5NBV21Open in de Bijbel

  • gezindheid: Ook in het Grieks is er een verband met de ‘eensgezindheid’ in vers 2. Daar is sprake van to aoto phronēte en to hen phronountes: ‘hetzelfde denken’ en ‘op één ding in het denken gericht zijn’. Hier van dezelfde manier van denken, dezelfde gerichtheid en gezindheid als die van Christus. 

Bij vers 6 

6Hij, die de gestalte van God had, maakte er geen aanspraak op aan God gelijk te zijn,

Filippenzen 2:6NBV21Open in de Bijbel

  • gestalte van God: Het Griekse woord dat hier wordt gebruikt en ook in vers 7 (gestalte van een dienaar/slaaf) is morphē. In vers 6 staat en morphēi theou huparchōn, ‘hij was in de gestalte van God’, en in Filippenzen vers 7 morphēn doulou labōn, ‘hij nam de gestalte van een slaaf aan’. De term ‘gestalte’ is niet zonder problemen. Bij ‘gestalte’ denkt men namelijk in eerste instantie aan iemands postuur. Het Griekse woord morphê betekent veelal ‘uiterlijke vorm’, ‘voorkomen’ en heeft betrekking op de gestalte of vorm waarin iets of iemand verschijnt, het zichtbare voorkomen. Men zou het ter verduidelijking zo kunnen formuleren: ‘Hij die het aanzien van God had (…) werd zo onaanzienlijk als een slaaf.’ Het gaat om het aanzien en het voorkomen dat hoort bij een bepaalde positie: het aanzien van God versus de onaanzienlijkheid van een slaaf.  
  • had: Het Grieks heeft de werkwoordsvorm huparchō, dat onder andere ‘zijn’ kan betekenen, maar ook ‘bestaan’, wat de vertaling ‘hij die bestaande was in de gestalte van God’ mogelijk maakt. 
  • maakte er geen aanspraak op aan God gelijk te zijn: In het Grieks letterlijk: ‘Hij beschouwde het gelijk zijn aan God niet als harpagmos.’ Oorspronkelijk heeft dat woord met ‘roof’ of ‘buit’ te maken, zoals ook de HSV en NBG51 weergeven. Maar het kan ook iets betekenen als ‘dat wat grote waarde heeft en niet geroofd mag worden’, dus: Jezus wilde de gelijkheid met God, die Hij van grote waarde beschouwde, niet vasthouden. Jezus wilde namelijk er afstand van doen (vs. 7; alla, ‘maar’). Uitleggers verschillen van mening over de vraag of ‘aan God gelijk zijn’ de status is van het bestaan in ‘de gestalte van God’ (vs. 6a) of dat het verwijst naar de wellicht hogere status van het dragen van ‘de naam die elke naam te boven gaat’ (zie vs. 9). Als ‘aan God gelijk zijn’ gaat over Jezus’ pre-existente bestaan, kun je ‘maakte er geen aanspraak op’ lezen als ‘wilde die niet vasthouden’. Als ‘aan God gelijk zijn’ gaat over de allerhoogste verhevenheid na Jezus’ opstanding, kun je ‘maakte er geen aanspraak op’ lezen als ‘wilde er uit zichzelf geen claim op leggen of ernaar grijpen’. 

Bij vers 7 

7maar deed afstand van zijn positie en nam de gestalte aan van een dienaar. Hij werd gelijk aan de mensen, en als mens verschenen

Filippenzen 2:7NBV21Open in de Bijbel

  • maar deed afstand van zijn positie: Het Grieks heeft ‘hij ledigde zichzelf’. Dat ledigen betekent niet dat Christus zijn goddelijkheid heeft afgelegd, maar dat Hij vrijwillig afstand deed van zijn voorrechten, status en eer om de mens in dienstbaarheid en gehoorzaamheid te redden – dus zoals de NBV21 vertaalt. Kenosis is voor gelovigen ook belangrijk: je denken en handelen laten vormen door Christus’ vernederende liefde, waarin jezelf wegcijferen niet zelfvernietigend is, maar een vrij gekozen gerichtheid op de ander.  
  • en nam de gestalte aan: Hier wordt, net als in vers 6, morpjē gebruikt, de gestalte. 
  • van een dienaar: De NBV, net als de HSV, had doulos vertaald met ‘slaaf’. In de revisie is er gekozen voor dienaar, ook omdat het woord ‘slaaf’ bij lezers met een slavernijverleden connotaties van totale ontmenselijking opriep – iets wat de tekst juist níét probeert te doen. Jezus werd juist een mens, maar wel een zonder aanzien. Op andere plekken vertaalde de NBV doulos met ‘dienaar’ of ‘knecht’ en alleen ‘slaaf’ als het om een ‘echte’ slaaf ging. ‘Gestalte van een slaaf’ is een concreter en sprekender contrast met ‘gestalte van God’, maar de hele zin werkt ernaartoe dat je ‘gestalte van een dienaar’ interpreteert als ‘gestalte van iemand met een lage positie, iemand zonder aanzien’. Nieuwtestamentica Suzan Sierksma schreef in Met Andere Woorden (2018) dat ‘slaaf’ toch een goede vertaling kan zijn.
  • en als mens verschenen: In het Grieks schēmati heuretheis, ‘en in de gestalte van een mens gevonden’. Dit verwijst naar de menselijke geboorte van Jezus, niet specifiek naar een geboorteverhaal, maar veel meer dat de pre-existente Christus mens is geworden. 

Bij vers 8 

8heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.

Filippenzen 2:8NBV21Open in de Bijbel

  • heeft zich vernederd: Dit verwijst naar het thema in vers 12-16, nederigheid en gehoorzaamheid. Christus is degene die ultiem vernederd is, tot aan de dood aan het kruis. Hoewel hier niet duidelijk staat aan wie Jezus gehoorzaam is, is dat uiteraard God. 
  • werd gehoorzaam: Christus koos bewust, en stap voor stap, de weg van gehoorzaamheid aan God, tot in het uiterste: de dood aan het kruis. Het benadrukt dat deze gehoorzaamheid een concrete, historische werkelijkheid werd. Niet alleen een innerlijke houding, maar een daadwerkelijke, volgehouden levensweg. Christus’ gehoorzaamheid omvat zowel zijn vrijwillige zelfvernedering als zijn bereidheid om Gods wil te volbrengen, zelfs wanneer die weg leidde tot lijden en schande. 
  • kruis: Kruisiging was een uiterst wrede straf, die in de volksmond ‘slavenstraf’ werd genoemd (servile supplicium). Het betekende niet alleen een vreselijke dood (naakt, pijnlijk, publiekelijk), maar ook sociaal taboe, ontmenselijking, als afschrikmiddel en vaak zonder begrafenis. Normaal gesproken werden niet-Romeins burgers (en Grieken) niet gekruisigd. Slaven konden zonder serieuze reden gekruisigd worden, niet-Romeinse burgers als ze van oproer werden beschuldigd of als het piraten of rovers waren. Kruisiging was voor een (Romeins) burger de ergste manier van sterven. Dat Christus dus zichzelf heeft vernederd tot aan het kruis betekent dat Hij niet dieper kon gaan. 

Bij vers 9 

9Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat,

Filippenzen 2:9NBV21Open in de Bijbel

  • Daarom: Als beloning van de zelfvernedering en gehoorzaamheid aan God wordt Christus beloond met een soort hemelse promotie. 
  • hoog verheven: Het Griekse werkwoord huperhupsoō is een samenstelling van hupsoō, ‘verheffen’, en huper, ‘bovenmatig, boven, over’. In andere hellenistische teksten is de samenstelling niet een versterking of intensivering, maar hier wel (zie huper verderop in vs. 9). Je zou je kunnen afvragen of Jezus verheven is tot zijn pre-existente staat (vóór zijn incarnatie) of zelfs nog méér. Dat laatste lijkt het geval als je de volgende zin leest. 
  • en Hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat: God geeft Jezus de goddelijke ‘naam’. Niet een naam in de moderne betekenis van een willekeurige benaming, maar een naam in de Bijbelse betekenis, waarin het werkelijke karakter, de macht en de status van de desbetreffende persoon tot uitdrukking komen (bijvoorbeeld Ps. 8:2). Uitleggers wijzen erop dat er in de Joodse apocalyptische traditie een engelachtig figuur voorkomt dat de naam van God draagt, gebaseerd op de titel ‘engel van de HEER’ die we in diverse teksten in het Oude Testament vinden (bijvoorbeeld Gen. 22:11-15; Ex. 3:2-4; Recht. 2:1-3). Vaak is het moeilijk te onderscheiden of de engel namens God komt of God zelf is. In die traditie is het voor Paulus logisch om te zeggen dat Jezus die naam krijgt; een beloning voor Jezus’ nederigheid en gehoorzaamheid. 

Bij vers 10 

10opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde,

Filippenzen 2:10NBV21Open in de Bijbel

  • opdat: Christus krijgt de naam die boven elke naam uit gaat, opdat Hij zal heersen als Gods vice-regent. Opvallend is dat het nog niet het geval is. Het zal een keer gebeuren. Hier wordt de paulijnse spanning van het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ zichtbaar. Jezus heeft de naam al gekregen waardoor Hij universele heerschappij zal hebben, maar dat is nog niet gerealiseerd. 
  • in de naam van Jezus: Dat wil zeggen: iedereen buigt voor Jezus. 
  • elke knie zich zal buigen: ‘Elke knie’ moet worden gelezen vanuit het poëtische en liturgische karakter van de hymne, waar hyperbolisch en universeel taalgebruik hoort bij het schilderen van Christus’ kosmische verhoging. Het woord ‘elke’ (pan) drukt daarom primair universele erkenning van Christus’ heerschappij uit, niet noodzakelijk universele verzoening zoals soms wordt beweerd: het visioen is dat alle wezens – vrijwillig of gedwongen, in aanbidding of in erkenning van macht – uiteindelijk toegeven dat Jezus Heer is. ‘Elke knie’ functioneert als een theologisch geladen beeld van Christus’ onbetwiste heerschappij, niet als een precieze uitspraak over het lot van ieder individu. 
  • in de hemel, op de aarde en onder de aarde: Deze drieslag luidt Jezus’ kosmische en universele heerschappij in, op elk terrein: de hemel, de aarde en het dodenrijk. In Openbaring vinden we een dergelijke uitdrukking waar het nadrukkelijk aan de hele schepping wordt gekoppeld (pan ktisma; Op. 5:13). 

Bij vers 11 

11en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.

Filippenzen 2:11NBV21Open in de Bijbel

  • Wederom het ‘elke’, waarbij alle wezens in de hemel, aarde en onder de aarde worden bedoeld: engelen, demonen, de levenden en de doden, de geredden en de verlorenen. Zij zullen Hem allemaal als Heer erkennen, zoals God de HEER is. En die erkenning is tot eer van God, de Vader, die Hem heeft verhoogd en Hem de goddelijke naam heeft gegeven.  

Achtergrondinformatie 

Toelichting bij kernwoorden en begrippen 

Verdieping bij thema’s 

Ter inspiratie

Ruziemaken met Jezus  

Waar mensen ruziemaken, worden niet zelden de hoofden heet en de harten koud. De rede draait overuren om aan die ander uit te leggen – en nóg eens uit te leggen – waarom hij ongelijk heeft. En naarmate de ruzie langer duurt, des te groter de kans dat de verontwaardiging groeit: hoe bestaat het dat die ander meent wat hij zegt! Als het zo is, dan … en vul de dreigementen maar in.

Vroeg of laat klinkt de roep om de waarheid: dáár ligt de oplossing. Maar niet in deze brief. Paulus roept op tot liefde: ‘Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had.’ Die gezindheid wordt getypeerd door zoveel wat anders is dan wij herkennen. Dat is een haast onmogelijke opdracht. Wij zoeken vaak naar zelfbehoud of zelfrechtvaardiging. Dáár worden we telkens in getraind: voor jezelf opkomen, voor jezelf zorgen. Maar dit is wat het evangelie van Pasen van ons vraagt: loslaten, toevertrouwen. Die ont-spanning staat haaks op de situatie van de Filippenzen, waar spanningen heersen. Als je tegenover elkaar komt te staan, versterk je doorgaans je positie: je herhaalt je standpunten nog eens, je legt de zwakte van de ander bloot.

In de hymne in Filippenzen wordt het gevat in één woord: κενόω, ‘zelflediging’. Misschien vat dat woord wel het geheim van het christelijk geloven samen. De NBV21 vertaalt het als vrijwillig afstand doen: kiezen voor de liefde die je nederig maakt en die de ander belangrijker acht dan zichzelf.  
 
Dat betekent voor Jezus de weg van menswording met al haar beperkingen en tekorten. Het betekent voor Jezus, die alle macht zou kunnen hebben, de gang naar het kruis. Zó wil Hij betrouwbaar zijn, trouw zijn. Zo kiest Hij de weg van de liefde. Het is ondenkbaar, tenzij je het evangelie kent.  

In zijn brief roept Paulus op om díé Jezus na te volgen. Ook, of juist, in ruzies en conflicten. Jezus volgen betekent dat je je laat ontwapenen. Het betekent kiezen voor het onderspit. Daar loopt het denken stuk. Soms kom je er met denken niet meer uit. Niet voor niets lijkt me daarom dat Paulus hier een lied citeert. In een lied kun je uitdrukken wat je sprekend niet lukt. Omdat in een lied het ene woord het andere oproept, en je meevoert op de klanken. En het lied van de kenosis leidt uiteindelijk tot verbinding, tot eenheid. Het loopt uit op een lied van elke tong: Jezus Christus is Heer.   

Ds. Pieter Terpstra, dorpsdominee Heemstede en interim-predikant Protestantse Kerk 

Blijf op de hoogte

Wil je een seintje ontvangen wanneer er nieuw materiaal online staat?

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.42.3
Volg ons