7Nadat de HEER tot Job had gesproken, richtte Hij zich tot Elifaz uit Teman: ‘Ik ben in woede ontstoken tegen jou en je twee vrienden, omdat jullie niet juist over Mij hebben gesproken, zoals mijn dienaar Job.
11Drie vrienden van Job, Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naäma, hoorden van de rampspoed die hem had getroffen, en ze besloten hem op te zoeken. Onderweg ontmoetten ze elkaar, en samen gingen ze naar hem toe om hun medeleven te tonen en hem te troosten.
11Al zijn broers en al zijn zussen, en iedereen die hem van vroeger kende, kwamen naar zijn huis om samen met hem te eten; ze toonden hun medeleven en troostten hem, omdat de HEER zoveel rampspoed over hem had gebracht. En elk van hen gaf hem een geldstuk en een gouden ring.