In Marcus 15:40-41 lezen we hoe verschillende vrouwen uit Galilea aan de voet van het kruis van Jezus stonden. Een aantal van deze vrouwen was vervolgens ook aanwezig bij Jezus' begrafenis. Op de vroege zondagmorgen, werden deze vrouwen de eerste getuigen van de opstanding van Jezus.
Die vraag stelt Jezus aan zijn leerlingen. Het is de vraag die in alle vier de evangeliën centraal staat. Wie is Jezus? Wie zeggen de mensen dat Hij is, en welk antwoord geven wij, tweeduizend jaar later, op die vraag?
Diverse malen vertelde Jezus tegen zijn leerlingen dat Hij zou moeten lijden en zelfs sterven. De leerlingen begrepen daar niets van en vergaten deze woorden. Zij hoorden wel wat Hij zei over de komst van zijn koninkrijk en ze droomden waarschijnlijk over leidinggevende posities, zoals in deze verkiezingstijd veel politici dromen over macht en invloed.
Het verhaal in Marcus 5:1-20 speelt zich af in de streek ten oosten van het Meer van Galilea, de Dekapolis, een welvarend gebied met voornamelijk niet-Joodse inwoners. Hoofdpersoon naast Jezus is een man die door Jezus wordt bevrijd van onreine geesten.