Het knopje van de frituur


Oef, dat vond ik eervol. ‘Kom hier, Esther,’ de Iraanse man knielde op de tegels van de snackbar om bij de schakelaar van de frituur te kunnen. ‘Kom, hij moet op stand 2. Jij mag hem omzetten.’
Eerst snapte ik het niet, maar door ervaring wijs geworden dat je soms dingen moet doen die je niet snapt, knielde ik ook op de grond zodat ik bij het knopje kon en zette de schakelaar om.
‘En nu ... is mijn zaak geopend,’ zei hij plechtig triomfantelijk. Toen drong het tot me door. Ik had zojuist de officiële openingshandeling van een snackbar verricht. Als vriend, maar vooral ook als dominee, vertegenwoordiger van de kerk. Omdat hij het belangrijk vond dat God erbij was in dit snackbaravontuur.
Snackbarzegening
Het was een belangrijk moment voor hem. Ooit was hij de eigenaar geweest van een heel groot restaurant in Teheran. Dat had hij opgegeven toen hij ervoor koos om Jezus te volgen. Die beslissing had hem alles gekost. Uiteindelijk was hij in Nederland terechtgekomen met niets en ook hier was het leven niet makkelijk. Maar waar veel Nederlanders, ingesust door de welvaart, hun geloof vaarwel zeggen, zei hij steeds vaker in alle ellende: ‘Ik dank God.’
En nu was hij hier. In een klein Nederlands friettentje, voor hem de drempel naar een nieuw leven, een hoopvol nieuw begin. Hij had gevraagd of ik kwam, voor openingstijd nog. Tussen de opgestapelde krukken en balen aardappels die klaarlagen voor de start, lazen we uit Matteüs 6: Eerst dat koninkrijk van God zoeken en de rest word je gegeven. ‘Dat is hoe ik het wil doen,’ zei hij, ‘ik hoop dat mijn snackbar een plek van vrede zal zijn in deze stad.’ Toen baden we samen en legden alles in Gods handen.
Een snackbarzegening. Dat had ik nog niet eerder meegemaakt. Maar ik vond het een enorm voorrecht. Een voorrecht om van zo dichtbij te zien hoe God iemand vasthoudt door alles heen. En een voorrecht dus om het knopje van de frituur in te mogen drukken.
Ik ga er binnenkort maar weer eens langs. Gezegende frietjes kopen.
Esther van Schie
