1Als we geloven, worden we gered. Dan wordt onze hoop werkelijkheid. En door ons geloof weten we zeker dat Gods hemelse wereld bestaat. Ook al kunnen we die nog niet zien.
23-24Maar jullie moeten nu gaan leven als nieuwe mensen. Want jullie zijn van binnen veranderd, jullie kennen nu de waarheid. Daardoor weten jullie dat je eerlijk en heilig moet leven. Dat is waarvoor God de mensen gemaakt heeft.
22-23Mensen die zich laten leiden door de heilige Geest, leven heel anders. Zij houden van elkaar. Ze zijn blij en leven in vrede. Ze hebben geduld en zijn goed voor elkaar. Ze geloven in Christus. Ze zijn vriendelijk en gedragen zich goed. Als je zo leeft, doe je precies wat de wet eigenlijk wil.
9Dit was de belofte die God aan Abraham gaf: «Binnen een jaar zal Sara een zoon krijgen.»
10-12Later werd Rebekka zwanger van onze voorvader Isaak. God vertelde haar dat ze een tweeling zou krijgen. En hij zei: ‘Ik maak de jongste belangrijk, maar de oudste niet.’ Zo liet God zien hoe hij werkt: hij bepaalt wie hij uitkiest. De kinderen waren nog niet eens geboren. Ze hadden nog geen goed of kwaad gedaan. Het gaat dus om de keuze van God, niet om het gedrag van mensen.
12Jullie zijn gedoopt. Toen zijn jullie eigenlijk samen met Christus begraven. Maar God heeft Christus uit de dood laten opstaan. En omdat jullie geloven in die kracht van God, zijn jullie samen met Christus opgestaan.