2Na de overtocht zei de HEER tegen Jozua: ‘Maak messen van vuursteen en besnijd de Israëlieten opnieuw.’ 3Hierop maakte Jozua vuurstenen messen waarmee hij de Israëlieten besneed, bij de Voorhuidenheuvel. 4Deze besnijdenis was nodig om de volgende reden: Alle weerbare mannen die uit Egypte waren weggetrokken, waren na de uittocht gestorven, onderweg in de woestijn. 5Van het volk dat weggetrokken was waren alle mannen besneden geweest, maar de mannen die na de uittocht waren geboren, toen het volk onderweg was in de woestijn, waren niet besneden. 6Want Israël trok veertig jaar door de woestijn, totdat alle weerbare mannen die uit Egypte waren weggetrokken, gestorven waren. Ze hadden niet geluisterd naar de HEER, en daarom had de HEER hun gezworen dat Hij hun niet het land zou laten zien dat Hij ons zou geven, zoals Hij hun voorouders onder ede had beloofd: het land dat overvloeit van melk en honing. 7Hij liet hun plaats innemen door hun zonen, en hen besneed Jozua nu, omdat dit onderweg niet gedaan was. 8Nadat ze allemaal waren besneden, moesten ze in hun tenten blijven tot ze hersteld waren. 9En de HEER zei tegen Jozua: ‘Vandaag heb Ik de schande van Egypte van jullie afgewenteld.’ Jozua noemde die plaats Gilgal, en zo heet het daar tot op de dag van vandaag.
25Sippora pakte een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon weg en raakte daarmee Mozes’ voeten aan, terwijl ze zei: ‘Een bloedbruidegom ben jij voor mij.’
21Toen er acht dagen verstreken waren en Hij besneden zou worden, kreeg Hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat Hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen.
24De tijd zal komen – spreekt de HEER – dat Ik de besnedenen zal straffen. 25Ik straf Egypte, Juda, Edom, Ammon, Moab en al die woestijnbewoners met hun kaalgeschoren slapen. Want alle vreemde volken zijn onbesneden, en het volk van Israël is onbesneden van hart.
4dat hij zijn wapendrager beval: ‘Trek je zwaard en steek me dood, want ik wil niet dat die onbesnedenen me doorboren en zich op me gaan uitleven.’ Maar de wapendrager schrok ervoor terug en weigerde. Toen nam Saul zelf zijn zwaard en stortte zich erin.