29Toen ze uit Jericho vertrokken, volgde Hem een grote menigte. 30Er zaten daar twee blinden langs de weg die, toen ze hoorden dat Jezus voorbijkwam, luidkeels begonnen te roepen: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ 31De mensen berispten hen en zeiden dat ze hun mond moesten houden. Maar ze riepen nog harder: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ 32Jezus bleef staan, riep hen bij zich en vroeg: ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe?’ 33Ze antwoordden: ‘Heer, open onze ogen!’ 34Jezus kreeg medelijden en raakte hun ogen aan. Meteen konden ze zien, en ze volgden Hem.
27Toen Jezus van daar verderging, volgden Hem twee blinden die luidkeels riepen: ‘Heb medelijden met ons, Zoon van David!’ 28En nadat Hij een huis was binnengegaan, kwamen de blinden naar Hem toe. Jezus vroeg hun: ‘Gelooft u dat Ik dit kan doen?’ Ze antwoordden: ‘Ja, Heer!’ 29Daarop raakte Hij hun ogen aan en zei: ‘Zoals u gelooft, zo zal het ook gebeuren.’ 30En hun ogen gingen open. Jezus waarschuwde hen uitdrukkelijk: ‘Zorg ervoor dat niemand het te weten komt!’ 31Maar na hun vertrek verspreidden ze het nieuws over Hem in de hele omgeving.
22Ze kwamen in Betsaïda. Er werd een blinde bij Hem gebracht, en men smeekte Hem om de man aan te raken. 23Hij pakte de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij deed wat speeksel op zijn ogen, legde er zijn handen op en vroeg: ‘Ziet u iets?’ 24Hij begon weer te zien en zei: ‘Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond.’ 25Daarna legde Hij weer zijn handen op de ogen van de blinde. Deze sperde zijn ogen open en genas; hij zag alles nu heel helder. 26Hij stuurde hem naar huis met de waarschuwing: ‘Ga het dorp niet in!’
1In het voorbijgaan zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was. 2Zijn leerlingen vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ 3‘Hij niet en zijn ouders ook niet,’ was het antwoord van Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden. 4Zolang het dag is, moeten we het werk doen van Hem die Mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan niemand iets doen. 5Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht voor de wereld.’ 6Na deze woorden spuwde Hij op de grond. Met het speeksel maakte Hij wat modder, Hij streek die op de ogen van de blinde 7en zei tegen hem: ‘Ga u wassen in het badhuis van Siloam.’ (Siloam is in onze taal ‘gezondene’.) De man ging weg, waste zich, en toen hij terugkwam kon hij zien.