1Let op, Ik zal mijn bode zenden, die voor Mij de weg zal effenen. Opeens zal Hij naar zijn tempel komen, de Heer naar wie jullie uitzien, de engel van het verbond naar wie jullie verlangen. Komen zal Hij – zegt de HEER van de hemelse machten.
2Ik heb jullie lief – zegt de HEER –, en jullie zeggen: ‘Waaruit blijkt die liefde dan?’ Zijn Jakob en Esau geen broers? – spreekt de HEER. Toch heb Ik Jakob liefgehad 3en Esau gehaat. Van Esaus bergland maakte Ik een wildernis, Edoms grondgebied heb Ik aan de jakhalzen van de woestijn gegeven. 4Edom kan zeggen: ‘Al zijn we verslagen, we bouwen de puinhopen weer op,’ maar dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ze kunnen bouwen zo veel ze willen, Ik zal het weer afbreken. ‘Goddeloos land’ zal men het noemen, en ook ‘Het volk waarop de HEER voor eeuwig verbolgen is’. 5Met eigen ogen zullen jullie het zien, en dan zullen jullie zeggen: ‘De HEER toont zijn grootheid, tot over de grenzen van Israël!’
6Een zoon eert zijn vader, een dienaar zijn heer. Als Ik jullie vader ben, waar is dan je eerbied voor Mij; als Ik jullie heer ben – zegt de HEER van de hemelse machten –, waar is dan je ontzag voor Mij? Jullie, priesters, minachten mijn naam, en zeggen dan: ‘Hoezo minachten wij uw naam?’ 7Jullie brengen verwerpelijk voedsel naar mijn altaar, en zeggen dan: ‘Hoezo hebben wij U verworpen?’ Door je geringschattend uit te laten over mijn altaar! 8Als jullie met een blind offerdier aankomen, zeggen jullie: ‘Wat geeft dat nou?’ En als jullie aankomen met een kreupel of ziek offerdier: ‘Dat geeft toch niets?’ Bied je gouverneur zo’n dier maar eens aan en zie of hij er tevreden mee is en jullie goedgezind zal blijven – zegt de HEER van de hemelse machten. 9Zo zullen jullie God wel gunstig stemmen, zo zal Hij zijn volk wel gunstig gezind zijn! Jullie doen deze dingen, en dan zou Hij zijn volk ter wille zijn? 10Het zou beter zijn als een van jullie de tempeldeuren zou sluiten en jullie het vuur op mijn altaar niet langer zouden aansteken, want dat heeft toch geen nut. Ik wijs jullie af – zegt de HEER van de hemelse machten – en de offers die jullie brengen aanvaard Ik niet. 11Van waar de zon opgaat tot waar ze ondergaat staat mijn naam bij alle volken in aanzien, overal brengt men Mij reukoffers en reine offergaven. Mijn naam staat bij alle volken in aanzien – zegt de HEER van de hemelse machten –, 12maar jullie ontwijden hem door te beweren dat mijn altaar verontreinigd mag worden, door te denken dat je er minderwaardig voedsel heen kunt brengen. 13Jullie halen je neus op voor de dienst aan mijn altaar – zegt de HEER van de hemelse machten –, jullie zeggen: ‘Dit alles kost ons te veel moeite.’ Jullie brengen Mij gestolen dieren, en kreupele en zieke dieren – zegt de HEER –, dat is wat jullie Mij als offergave aanbieden, en Ik moet dat aanvaarden? 14Vervloekt de bedrieger die de Heer een mannelijk dier zonder enig gebrek uit zijn kudde belooft maar Hem een geschonden dier offert! Ik ben een groot koning – zegt de HEER van de hemelse machten –, en alle volken zijn vervuld van ontzag voor mijn naam!
1Dit is wat Ik over jullie, priesters, heb besloten. 2Als jullie niet luisteren, en als jullie niet ter harte nemen dat je mijn naam in ere moet houden – zegt de HEER van de hemelse machten –, dan zal Ik jullie met mijn vloek treffen en vervloek Ik alles waarmee jullie gezegend zijn; Ik zal jullie zéker vervloeken, want jullie nemen het toch niet ter harte. 3Ik zal jullie nageslacht treffen en jullie de mest van de offerdieren in het gezicht gooien. Jullie zullen uiteindelijk zelf op de mesthoop belanden! 4Weet dat Ik dit besloten heb op grond van mijn verbond met Levi – zegt de HEER van de hemelse machten. 5Ik beloofde Levi leven en vrede, en die heb Ik hem gegeven; van Levi verwachtte Ik eerbied, en hij, vervuld van diep ontzag voor mijn naam, eerde Mij. 6Het onderricht dat hij gaf berustte op waarheid, er kwam niets verkeerds over zijn lippen. Hij was rechtschapen en leefde in vrede met Mij; velen hield hij af van het kwaad. 7Kennis ligt op de lippen van de priester en uit zijn mond verlangt men onderricht, want hij is een bode van de HEER van de hemelse machten. 8Maar jullie zijn afgeweken van de weg die Ik je wees, veel mensen zijn gestruikeld door wat jullie hun leerden. Jullie hebben mijn verbond met Levi geschonden – zegt de HEER van de hemelse machten. 9Daarom zal Ik ervoor zorgen dat heel het volk jullie minacht en op je neerkijkt, want jullie volgen de weg niet die Ik je wijs maar steunen in je onderricht op eigen inzichten.
10Hebben wij niet allemaal dezelfde vader, heeft niet een en dezelfde God ons geschapen? Waarom behandelen wij elkaar dan zo trouweloos en schenden wij het verbond dat Hij met onze voorouders sloot? 11Juda heeft trouweloos gehandeld, en in Israël en Jeruzalem heeft men zich gruwelijk misdragen. Juda heeft ontwijd wat de HEER heilig is en wat Hij liefheeft; Juda is getrouwd met een vrouw die een vreemde god vereert. 12Moge de HEER iedereen uit het volk van Jakob stoten die zoiets doet, wie het ook is, ook al brengt hij offergaven aan de HEER van de hemelse machten. 13En verder: jullie storten hete tranen op het altaar van de HEER, jullie jammeren en kreunen omdat Hij geen aandacht schenkt aan jullie offers en ze niet aanvaardt. 14En jullie vragen je af: Waarom toch? Omdat je de vrouw met wie je je leven deelde trouweloos behandeld hebt, de vrouw met wie je in je jeugd een verbintenis bent aangegaan, waarvan de HEER getuige is geweest. 15Wie ook maar een beetje verstand heeft doet zoiets niet, want iedereen wil toch een nageslacht dat door God gewild is? Speel niet met je leven en behandel de vrouw van je jeugd niet trouweloos. 16Want Ik verafschuw het wanneer een man zijn vrouw wegstuurt – zegt de HEER, de God van Israël. Wie zoiets doet besmeurt zichzelf met onrecht – zegt de HEER van de hemelse machten. Speel niet met je leven en gedraag je niet langer trouweloos.
17Met jullie gepraat vallen jullie de HEER lastig, en dan vragen jullie: ‘Hoezo vallen wij Hem lastig?’ Door te zeggen: ‘Iedereen die kwaad doet, is goed in de ogen van de HEER, zulke mensen bevallen Hem.’ Of: ‘Waar is nu de God die rechtspreekt?’
6Ik, de HEER, ben niet veranderd, en jullie gedragen je nog altijd als nakomelingen van Jakob. 7Jullie voorouders hielden zich al niet aan mijn geboden, en ook jullie doen dat niet. Keer terug naar Mij – zegt de HEER van de hemelse machten –, dan zal Ik naar jullie terugkeren; en jullie zeggen: ‘Hoezo moeten we terugkeren?’ 8Vinden jullie dat een mens God mag bestelen? Toch bestelen jullie Mij, en zeggen dan: ‘Hoezo bestelen we U?’ Door de tienden en de andere heffingen achter te houden! 9Jullie zijn vervloekt en nogmaals vervloekt, en toch blijft het hele volk Mij bestelen. 10Stel Mij maar eens op de proef – zegt de HEER van de hemelse machten. Breng alle tienden naar mijn voorraadkamer, zodat er voedsel in mijn tempel is, en zie dan of Ik niet de sluizen van de hemel voor jullie open en zegen in overvloed op je land laat neerdalen. 11Ik zal de sprinkhaan onschadelijk maken zodat hij de opbrengst van je akkers niet meer kan verwoesten, en de druiventros zal niet meer verdorren in je wijngaarden – zegt de HEER van de hemelse machten. 12Alle volken zullen jullie gelukkig prijzen, want jullie zullen wonen in een heerlijk land – zegt de HEER van de hemelse machten.
13Jullie hebben tegen elkaar harde woorden over Mij gesproken – zegt de HEER –, en jullie vragen: ‘Wat hebben we dan over U gezegd?’ 14Jullie hebben gezegd: ‘Wat heeft het voor nut om God te dienen, wat hebben we eraan dat we zijn voorschriften in acht nemen en ons in een boetekleed hullen voor de HEER van de hemelse machten? 15We moeten de hoogmoedigen wel gelukkig prijzen, want wie zich goddeloos gedraagt gaat het voor de wind, en wie God beproeft komt er goed vanaf!’
16Zo spraken de mensen die ontzag voor de HEER hadden tegen elkaar, en de HEER hoorde het en luisterde met aandacht. Ten overstaan van de HEER werden in een boek de namen van de mensen opgetekend die ontzag voor Hem hadden, die zijn naam hoogachtten. 17Op de dag die Ik voorbereid – zegt de HEER van de hemelse machten – zullen zij mijn eigendom zijn. Ik zal hen sparen zoals je een kind spaart dat je gehoorzaam is. 18Dan zullen jullie het verschil weer zien tussen rechtvaardigen en wettelozen, tussen mensen die God gehoorzamen en wie dat niet doen. 19Die dag zal zeker komen, brandend als een oven. Wie hoogmoedig zijn of wie zich goddeloos gedragen, zullen dan slechts stoppels zijn die door de hitte van die dag worden verschroeid – zegt de HEER van de hemelse machten. Geen wortel of tak zal er van hen overblijven. 20Maar voor jullie die ontzag voor mijn naam hebben zal de zon van de gerechtigheid, die genezing in haar vleugels draagt, stralend opgaan. Huppelend als kalveren die op stal hebben gestaan zullen jullie naar buiten komen. 21Dan vertrappen jullie de wettelozen; op de dag die Ik voorbereid, zullen zij niet meer zijn dan stof onder jullie voeten – zegt de HEER van de hemelse machten.
22Houd je aan het onderricht van Mozes, mijn dienaar, aan wie Ik op de Horeb wetten en geboden heb gegeven die gelden voor heel Israël. 23Voordat de dag van de HEER aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur Ik jullie de profeet Elia, 24en hij zal ervoor zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders. Anders zou Ik het land volledig moeten vernietigen.