3Ooit was Assyrië als een ceder van de Libanon,
met mooie takken, als een woud dat schaduw geeft,
duizelingwekkend hoog, zijn kruin raakte de wolken.
4Water deed hem groeien, de oervloed maakte hem groot:
rivieren stroomden waar de ceder was geplant,
geulen leidden naar alle andere bomen op aarde.
5Zo werd hij de hoogste van alle bomen,
zo kreeg hij brede takken en lange twijgen,
door al het water uit de diepte.
6In zijn takken nestelden de vogels van de hemel,
onder zijn twijgen wierpen de wilde dieren hun jongen,
en in zijn schaduw woonden vele volken.
7Groot was hij en mooi, met zijn lange takken,
want hij had zijn wortels in veel water.
8Zelfs in de tuin van God was er geen ceder als hij,
geen cipres met zulke takken,
geen plataan met zulke twijgen,
in de tuin van God was er geen boom zo mooi als hij.
9Ik had hem zo mooi gemaakt met zijn brede takken,
en alle bomen van Eden benijdden hem,
alle bomen in de tuin van God.