19‘Hebt U Juda verworpen,
hebt U van de Sion een afkeer gekregen?
Waarom hebt U ons zo hard geslagen
dat er geen genezing voor ons is?
Wij hoopten op vrede, maar vrede bleef uit,
wij verwachtten genezing, maar angst overviel ons.
20HEER, wij bekennen onze schuld,
en de schuld van onze voorouders:
wij hebben tegen U gezondigd.
21Maar verstoot ons toch niet,
doe het niet, omwille van uw naam.
Ontluister uw troon toch niet,
denk aan uw verbond met ons, verbreek het niet.
22Brengen die nietige goden van andere volken soms regen,
of schenkt de hemel buien uit zichzelf?
U, de HEER, onze God, doet dat toch?
Wij vestigen onze hoop op U,
want U hebt alles gemaakt.’