Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

6de van de herfst

Oude Testament

7HEER, al getuigen onze wandaden tegen ons,

grijp toch in omwille van uw naam.

Talloze malen waren wij U ontrouw,

wij hebben tegen U gezondigd.

8Bron van hoop voor Israël,

redder in tijden van nood,

waarom bent U als een vreemdeling in dit land,

als een reiziger die maar één nacht blijft?

9Waarom bent U als een radeloze man,

als een soldaat die ons niet kan redden?

U bent toch in ons midden, HEER,

wij behoren U toch toe?

Laat ons niet in de steek.’

10‘De HEER zegt over dit volk:

Maar al te graag dwalen ze weg,

ze sparen hun voeten niet.

De HEER schept geen behagen meer in hen.

Nu brengt Hij hun wandaden in rekening,

nu bestraft Hij hun zonden.’

Jeremia 14:7-10NBV21Open in de Bijbel

19‘Hebt U Juda verworpen,

hebt U van de Sion een afkeer gekregen?

Waarom hebt U ons zo hard geslagen

dat er geen genezing voor ons is?

Wij hoopten op vrede, maar vrede bleef uit,

wij verwachtten genezing, maar angst overviel ons.

20HEER, wij bekennen onze schuld,

en de schuld van onze voorouders:

wij hebben tegen U gezondigd.

21Maar verstoot ons toch niet,

doe het niet, omwille van uw naam.

Ontluister uw troon toch niet,

denk aan uw verbond met ons, verbreek het niet.

22Brengen die nietige goden van andere volken soms regen,

of schenkt de hemel buien uit zichzelf?

U, de HEER, onze God, doet dat toch?

Wij vestigen onze hoop op U,

want U hebt alles gemaakt.’

Jeremia 14:19-22NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.46.0
Volg ons