13‘Uw koningschap omspant de eeuwen,
uw heerschappij omvat alle geslachten.’
14‘Een steun is de HEER voor wie is gevallen,
wie gebukt gaat richt Hij op.
15Allen zien hoopvol naar U uit,
U geeft voedsel, op de juiste tijd.
16Gul is uw hand geopend,
U vervult het verlangen van alles wat leeft.
17Rechtvaardig is de HEER in alles wat Hij doet,
heel zijn schepping blijft Hij trouw.
18Allen die Hem aanroepen is de HEER nabij,
die Hem roepen in vast vertrouwen.
19Hij vervult het verlangen van wie Hem eren,
Hij hoort hun klacht en komt te hulp.
20De HEER waakt over wie Hem liefhebben,
maar goddelozen vaagt Hij weg.’
21Laat zó mijn mond de lof spreken van de HEER,
en alles wat leeft zijn heilige naam prijzen,
tot in eeuwigheid.