Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

8-3-2026

HOMILETIEK (preekvoorbeeld en inspiratie)

H.J. van Tienhoven (1923-1990) was een groot dichter, maar is volkomen onbekend gebleven en heeft uiteindelijk zijn leven vergooid aan drank en bitterheid. Hij heeft op indrukwekkende wijze gedicht over de dorst, en dat was niet alleen de dorst van zijn alcoholisme, maar het is onze dorst naar wat het evangelie ‘levend water’ noemt: de dorst van het onvervuld zijn, de dorst die voortkomt uit een diepe leegte, een gat in onze ziel, een groot ontbreken, een gemis dat zich niet vult.

De laatste regels van een gedicht van Van Tienhoven gaan zo:

Geloof, geloof, de wortels van de hoop
zoeken het water dieper met de jaren,
en langzaam regelt zich je bloedsomloop
naar deze dorst die niet is te bedaren.

Dus met de jaren reiken je wortels dieper in de grond op zoek naar water. Jouw wortels, zo ben je geworteld. Maar ze zoeken, want je weet wat het is te verdorren en te verdrogen. Het geloof ontvalt je, je inspiratie valt droog, o ja, zonder bezieling en creativiteit, zonder vreugde en hartverwarmende liefde kun je wel oud worden, het leven gaat door en jij moet ook door, maar of dat leven is?

En nog dieper reiken je wortels op zoek naar dat levende water. Het zijn, zegt Van Tienhoven, ‘de wortels van de hoop’, want dat is wel het sterkste in een mens: dat je blijft hopen dat het anders kan. Er is een dorst die niet is te bedaren. Of anders gezegd: ieder mens bergt een leegte in zich, het is een leegte waaraan je lijdt en blijft lijden en zoeken en drinken en vullen als niet God zich in die leegte vinden laat. Je kunt die leegte ontvluchten, die leegte vullen met luxe of je werk of andere verdoving. Maar de leegte blijft, een gapend gat, een leeg graf, tot God zich in die leegte vinden laat.

Zo staat daar op het zesde uur, dat is in de joodse tijdsrekening op het heetst van de dag, die vrouw daar water te putten en een vreemdeling, die afgemat is van zijn tocht, zit bij de bron en vraagt om water: ‘Geef mij wat te drinken.’ Zo is het wel in het evangelie: de eerste met dorst is Christus zelf. Want laten we er niet een simpel verhaaltje van maken, dat die vrouw met haar dorst symbool staat voor ons mens-zijn en dat Jezus de dorst wel stillen zal.

Nee, de eerste met dorst is Jezus en in dit evangelie is Hij ook de laatste met dorst, want zo sterft Hij aan het kruis als Hij roept: ‘Ik heb dorst.’ Er stond daar een kruik met zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. Toen Jezus van die wijn gedronken had, zei Hij: ‘Het is volbracht.’ Daarop boog Hij het hoofd en gaf Hij de geest.

Jezus zit hier dorstig aan de rand van de bron en een gesprek ontvouwt zich, waarin steeds meer de dorst van deze vrouw aan het licht treedt, ze wist van zichzelf niet hoe dorstig zij is. Het is gaandeweg in dit gesprek dat zij oog in oog komt te staan met haar onvervuld bestaan en zij begint te vragen: om levend water, om gebed, om de Messias. Die vrouw bij de bron, steeds dorstiger wordt zij, de wortels van de hoop zoeken het water, en zij staat er vlakbij: bij de bron. ‘Ik ben het, degene die met u spreekt.’

Christus, niet met zijn overvloed, maar met zijn dorst lest Hij de dorst van de wereld. Niet met zijn overvloed, want zo merkt de vrouw op: ‘U hebt niet eens een emmer.’ Nee, zijn dorst wekt onze dorst, en zijn vertrouwen wekt ons vertrouwen, want zo gaat dat daar tegen alle vooroordelen in: die Joodse man praat met een Samaritaanse vrouw. Van minachting en achterstelling, van wantrouwen is geen sprake, zijn vertrouwen wekt vertrouwen. En zijn geloof wekt ons geloof, meer dan wij in onszelf wisten te vinden.

Want geloven is niet het voor waar houden van een set onwaarschijnlijkheden, maar is een levenshouding, waar je naar gaat staan – door… Ja waardoor eigenlijk? Doordat God naar je toekomt en dan ga je zingen en bidden, of eerst vragen stellen en je wordt je bewust van de dorst, je grote dorst naar waarheid, zin, liefde, een toekomst voor jezelf en meer nog voor je kind.

Ja, als God naar je toe komt is de dorst naar Hem niet te bedaren. Je hebt zoveel te vragen en het verlangen wordt steeds groter. Je kunt het niet benoemen. Deze vrouw kon het niet benoemen. Het is in gesprek met Jezus dat zij er achter komt. Jezus is in het evangelie de eerste en de laatste die deze dorst uitspreekt. En zijn laatste woord spreekt van ‘volbracht’. Geen mens heeft dat ‘leeg’ en ‘vol’ zo dicht bij elkaar gebracht, de leegte en de vervulling, het gat in je ziel geslagen en de heelheid die je wordt geschonken, het durend gemis en de volkomenheid van je verlangen, de dorst volbracht.

Christus heeft ten einde toe ons menszijn voldragen en uit de leegte van gemis en pijn, zullen bronnen van vreugde ontspringen.

door: drs. Klaas Touwen
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.41.0
Volg ons