Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

25-01-2026

EXEGESE

De Jesaja-lezing (deels gelijk aan de eerste lezing van de Nachtmis van Kerstmis!) en de evangelielezing laten een niet te missen samenhang zien. Het profetencitaat van Matteüs 4,15-16 is immers ontleend aan de Jesaja-lezing. Door precies dìt citaat op te nemen, maakt de evangelist Matteüs duidelijk dat uitgerekend het ‘donkere’, ‘heidense’ Galilea het startpunt vormt voor het openbaar optreden van Jezus.

Jesaja 8,23b–9,3 – Andere tijden…
Omstreeks het jaar 730 vChr. stond het Noordrijk er niet al te best voor. Dat had vooral te maken met strafexpedities van de Assyriërs met hun koning Tiglatpileser iii. Het vormt de achtergrond van de aankondiging van op handen zijnde andere tijden door de profeet Jesaja.
In 8,23b wordt de naderende verandering aangekondigd zoals die vervolgens in 9,1-6 onder woorden wordt gebracht. De oude situatie van een smadelijke bejegening verandert in een situatie van eer. In de daarop volgende verzen wordt deze verandering weergegeven in termen van donker en licht.
De slotwoorden van 8,23b (gelil ha-goyim) worden in diverse vertalingen verschillend weergegeven: ‘het gewest van de heidenen’ (wv), ‘het domein van andere volkeren’ (nbv21), ‘het gebied waar nu andere volkeren wonen (bgt) en: ‘het Galilea waar de heidenvolken wonen’ (hsv).
De weergave van het citaat in Matteüs 4 gaat duidelijk terug op de Septuaginta (Galilaia tôn ethnôn, ta merè tès Ioudaias).
De beginwoorden van 9,2 (‘U hebt het volk…’) maken duidelijk dat de hier aangekondigde bevrijding geheel en al op het conto geschreven moet worden van de heer. Hij is het immers die de loop van de geschiedenis bepaalt en de deze grote verandering tot stand zal brengen. Dit wordt aan het slot van 9,1-6 ook nog eens duidelijk onder woorden gebracht: ‘De geestdriftige liefde van de heer van de machten zal dit teweegbrengen’ (wv).

1 Korintiërs 1,10-13.17 – Wees eensgezind!
Het gedeelte uit de eerste brief van Paulus aan de christenen van Korinte bevat een oproep om vooral de eenheid onder elkaar te bewaren. Er moet in de gemeente daar sprake geweest zijn van onderlinge verdeeldheid. In aansluiting op de groet waarmee de brief begint (1,1-3) schrijft de apostel om te beginnen over de genade die de gemeente in Christus Jezus geschonken werd en over de uitwerking van deze genade in de gemeente (m.n. 1,5a; 1,7b; 1,8) – om direct daarna ter zake te komen met de woorden: ‘God, door wie u geroepen bent om één te zijn…’ (1,9a). Dit appèl wordt in de daaropvolgende passage 1,10-17 kracht bijgezet door minder lovende woorden over partijschappen binnen de gemeente: ‘Ik ben van Paulus. Ik ben van Apollos. Ik ben van Kefas.’ Dat had waarschijnlijk te maken met de dooppraktijk binnen de gemeente. De apostel distantieert zich van deze verdeeldheid door te verklaren dat hijzelf nauwelijks gedoopt heeft. Naar eigen zeggen werd Paulus niet geroepen om te dopen maar om Christus te verkondigen (1,14-17).

Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Matteüs 4,12-(17)23 – Uitwijken
De perikoop uit het Matteüs-evangelie volgt op het verhaal van de verzoeking van Jezus in de woestijn van Judea. In de openingszin treffen we met de vermelding van de arrestatie van Johannes de Doper een flashforward aan. Dat Johannes gevangen genomen wordt én om het leven gebracht wordt, lezen we pas in Matteüs 14 maar hier wordt er reeds melding van gemaakt. De flashforward is een narratieve techniek waarbij een verhaal een tijdsprong maakt naar de toekomst, in tegenstelling tot een flashback, dat naar het verleden gaat. Men kan de verhaaltechniek vergelijken met de literaire stijlfiguur van de prolepsis, zoals met deze regel uit het beroemde gedicht ‘De moeder de vrouw’ van Martinus Nijhoff: ‘En wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren’. Aan Jezus wordt bericht dat Johannes gevangengenomen was en als reactie daarop week hij uit naar Galilea. Het zal Jezus geschokt hebben, dat verontrustende nieuws over de Doper. En mogelijk heeft het bij Hem ook verwarring veroorzaakt, dit lot van Johannes. Jezus neemt de wijk, terug naar de streek waar Hij opgroeide, de streek die overigens niet zo best bekend stond. Want daar in het zogenaamde ‘Galilea der heidenen’ zou immers het volk wonen dat de Wet niet kent (citaat van Jes. 9,23b in Mat. 4,15b). Denk ook nog maar eens aan de woorden van Natanaël (Joh. 1,46): ‘Uit Nazaret? Kan daar dan iets goeds vandaan komen?’

Het stokje doorgegeven
Jezus gaat echter niet op de loop en slaat niet zozeer op de vlucht, maar het nieuws over zijn geest- en zielsverwant Johannes heeft Hem wel danig verontrust. Behalve bloedverwanten waren ze immers ook geestverwanten. Niet voor niets heeft Jezus zich kort daarvoor juist door hem laten dopen. Aanvankelijk begreep Johannes niet waarom Jezus zich door hem wilde laten dopen, want hij veronderstelde dat de rollen eigenlijk omgekeerd moesten zijn. Door zich te laten dopen wilde Jezus zich echter solidair verklaren met al die mensen die zich aangesproken wisten door de boodschap van Johannes. Tegenover zijn neef en geestverwant verantwoordt Jezus zich met de woorden: ‘Zó past het ons om alle gerechtigheid te vervullen’. En als we dan nu in het evangeliefragment voor deze dag vernemen hoe Jezus begint met de verkondiging van het Evangelie (4,17 – ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij’), dan mogen we ons best realiseren dat dit exact dezelfde woorden zijn die door Johannes gesproken werden toen hij in de woestijn de mensen opriep om een nieuw leven te beginnen (3,2).

Van centrum naar periferie
Voor Jezus, de wijk nemend naar Galilea, is de beweging die Hij maakt een nadere voorbereiding op het gestalte geven aan zijn opdracht. Hij was al gedoopt door Johannes en de testcase in de woestijn heeft Hij glansrijk doorstaan. Nu kan zijn missie van start gaan. Daar, in Galilea, is Jezus zich nog méér bewust geworden van wat Hem te doen stond. Hij kan zich herkend hebben in de woorden uit dat lied van de Knecht des Heren van Jesaja: ‘Ik zal je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die ik brengen zal tot aan de einden der wereld reikt’.
Dat ‘licht voor alle volkeren’ rijmt overduidelijk op de woorden uit de eerste lezing met betrekking tot het volk dat in duisternis ronddoolt. Hoe zal Jezus zich manifesteren en hoe zal Hij deze wereld, waarin dingen gebeuren die zo verontrustend kunnen zijn, tegemoet treden? De verkondiging van het evangelie nam een aanvang in Galilea: ‘vanaf dat moment’, zo staat het er. Niet in het politieke en religieuze centrum van het land waar de tempel stond en waar de macht geconcentreerd was, niet in Judea of in Jeruzalem of de directe omgeving, maar in de periferie. En wanneer Jezus meteen vanaf het begin van die verkondiging in Galilea medestanders zoekt voor wat Hem te doen staat, dan werft Hij geen hoog opgeleid personeel, geselecteerd op basis van vóóraf opgestelde criteria. Nee, gaandeweg langs het Meer van Galilea komt Hij uit bij een paar vissers. Heel gewone mensen, ‘laag opgeleid’ zou dat tegenwoordig misschien wel genoemd worden. Maar Jezus ziet wel iets in ze want Hij heeft ze nodig voor zijn missie. En wat opvallend mag heten, is het gegeven dat Jezus hen aanspreekt op hun sterkste kanten, hun specifieke kwaliteiten. Het onmogelijke vraagt Hij niet van hen. ‘Kom en volg Mij op de weg, en Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ Vissers, dát waren ze – dat hadden ze nou eenmaal goed in de vingers. En vissers moesten ze in de ogen van Jezus vooral blijven! Ja, ze mogen blijven wie ze zijn en ze mogen blijven doen wat ze altijd al deden omdat ze er goed in waren. Maar Jezus vraagt wel van hen: doe het nu eens ánders… Hij wil hen immers tot vissers van ménsen maken…

door: drs. Harry Tacken
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-01

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.39.1
Volg ons