Jesaja 9,1-6 – De geboorte van een kind als nieuw en hoopvol begin
Wanneer de passage uit Jesaja 9,1‒6 in de Kerstnacht wordt voorgelezen, denk je bijna vanzelfsprekend dat het hier over Jezus, de Messias moet gaan. En die gedachte ligt natuurlijk ook voor de hand, maar toch is het van belang te benadrukken dat deze passage oorspronkelijk een heel andere en eigen rol heeft gespeeld binnen de geschiedenis van het oude Israël.
In het Lectionarium is de lezing uit de profeet Jesaja namelijk ontdaan van zijn historische setting en achtergrond. Die worden namelijk één vers eerder, in 8,23, uitvoerig geschetst. In nagenoeg alle bijbelvertalingen wordt dit vers dan ook als de opening van Jesaja 9 afgedrukt. Het vers gaat over de Assyrische overheersing van het Noordrijk vanaf 734 vChr. door Tiglatpileser (2 Kon. 15,29). Die heerschappij van Assyrië was ook al geschetst in de beroemde tekst over de geboorte van Immanuel in Jesaja 7,10‒17.
De passage in Jesaja 9,1-6 heeft niet toevallig de vorm van een gedicht, een feestelijke tekst bij gelegenheid van de bevrijding. Het is God die een einde maakt aan de vernedering (‘duisternis’) door de Assyriërs, zijn eigen volk weer opricht en vreugde geeft (‘licht’). Er wordt gerefereerd aan de overwinning die in vroeger tijden ook door Gods ingrijpen werd behaald op Midjan (9,3). Deze ‘dag van Midjan’, aldus de grondtekst, wordt uitvoerig beschreven in het aansprekende verhaal in Rechters 9.
Als apotheose van de blijdschap na de nederlaag van de Assyriërs meldt Jesaja de geboorte van een kind (9,5v). Het wordt al gauw duidelijk dat het om een koninklijk kind gaat, want er is sprake van ‘de troon van David’. In plaats van een overheerser uit Assyrië is er weer zicht op een koning uit het huis van David.
Er is nogal wat te doen over de vier titels die met het kind, de nieuwe koning, worden verbonden. Met name de titel ‘Sterke God’ zoals in meerdere bijbelvertalingen afgedrukt moet verbazing wekken. Want in tegenstelling tot de omringende culturen werd de koning in het oude Israël absoluut niet als een god beschouwd. En om dan alléén de tweede titel op God zelf terug te laten slaan zou wel heel merkwaardig zijn. Willen alle vier titels daarom met de toekomstige koning verbonden kunnen worden, dan is een vertaling als ‘goddelijke held’, of liever nog ‘machtige held’, een betere keuze.
Psalm 96 – Boodschap voor de volken
Bij het voorlezen en beluisteren van Psalm 96 zal onmiddellijk opvallen hoe vaak de woorden ‘volken’ en ‘naties’ klinken. Dat heeft duidelijk te maken met de boodschap van deze hymnische tekst die in vers 10 klinkt: ‘Zeg aan de volken: “jhwh is koning”’. Dat het in deze psalm inderdaad om vers 10 draait, wordt ook zichtbaar gemaakt in de afwijkende literaire vorm. Terwijl alle andere verzen steeds twee regels tellen, bestaat vers 10 uit drie regels, wat in Hebreeuwse poëzie nogal uitzonderlijk is en daardoor duidelijk een signaalfunctie vervult.
De psalm gaat over een god die iets voorstelt. Hij heeft immers de hemel gemaakt (v. 5), iets dat niet in de macht van alle andere goden ligt. Die zijn immers ‘minder dan niets’. Deze god staat er ook borg voor dat de aarde niet wankelt (v. 10). Daarom worden als eerste de hemel en de aarde opgeroepen de komst van Hem toe te juichen, want Hij is een rechtvaardige rechter, een eigenschap van een échte koning (v. 10; v. 13).
Titus 2,11-14 – De verschijning van onze redder
De Brief aan Titus vormt, samen met 1 en 2 Timoteüs een segment binnen het Nieuwe Testament dat ‘de Pastorale Brieven’ wordt genoemd. De afzender van de drie brieven is Paulus; dat althans wordt gesuggereerd in de aanhef ervan. Hoogstwaarschijnlijk is de schrijver echter iemand die door de naam van Paulus te gebruiken de geschriften het nodige gezag wilde meegeven. In elk van de Pastorale Brieven wordt steeds benadrukt dat er in de geloofsgemeenschappen van Kreta en Efeze sprake is van gelovigen met opvattingen die afwijken van hetgeen Paulus ooit heeft verkondigd.
Titus wordt als leider van de geloofsgemeenschap op Kreta opgeroepen om er in de verkondiging voor te zorgen dat de verschillende geledingen (oudere mannen, oudere vrouwen, jonge vrouwen, jonge mannen, slaven) zich ook zullen gedragen in overeenstemming met de ‘heilzame leer’ (2,1).
Na die uitvoerige uiteenzetting (2,1-10) volgt een korte samenvatting van die geloofsleer (2,11-14). Binnen de context van de viering van Kerstmis zal onmiddellijk opvallen dat in de Brief aan Titus niet de geboorte van Christus centraal staat, maar het wachten op zijn definitieve verschijning (2,13). De viering van de geboorte van Jezus is immers pas vanaf de vierde eeuw in gebruik gekomen.
Zie: Y. van den Akker-Savelsbergh, ‘De brief aan Titus. De glorie van onze grote God en redder Jezus Christus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Skandalon 2015, 94-98
Lucas 2,1-14 – Oudtestamentische patronen
Om de lezing van de Nachtmis (Luc. 2,1-14) in het juiste perspectief te plaatsen is een kort overzicht van het grotere geheel wenselijk. De eerste twee hoofdstukken van het Lucasevangelie zijn uiterst knap opgebouwd. Ze vormen één vertelling waarbinnen rondom twee personen (Johannes en Jezus) een parallel tweeluik wordt geschilderd. Lucas heeft hier gebruik gemaakt van een motief dat in het Oude Testament meermalen voorkomt: het geboorteverhaal. Het patroon ervan is onder andere te vinden in Genesis 16,11v; 25,21-26; Rechters 13; 1 Samuël 1–2. Wie deze teksten in zich opneemt zal al gauw merken dat Lucas ze bij het componeren van Jezus’ geboorteverhaal heeft gebruikt, maar op sommige punten ook variaties aanbrengt. Zo wordt bijvoorbeeld de aanstaande geboorte van Johannes niet aan de moeder, maar aan de vader meegedeeld.
De passages over de geboorte van Johannes vervullen steeds een functie ten gunste van Jezus, wat heel mooi wordt verwoord in 1,15 ‒ ‘Hij zal groot zijn voor de Heer’. Hier kan ‘Heer’ zowel betrekking hebben op God, maar moet gezien de structuur van de vertelling ook betrokken worden op Jezus.
Naast het patroon van het oudtestamentisch geboorteverhaal heeft Lucas nog een ander element uit het Oude Testament verwerkt: het patroon van het roepingsverhaal. Men krijgt een goddelijk bevel om een taak op zich te nemen; de aangesprokene maakt hiertegen ernstig bezwaar; dit wordt terzijde geschoven onder verwijzing naar een teken (zie o.a. Ex. 3; Recht. 6; Jer. 1).
‘En het geschiedde’
Het kommervolle geboorteverhaal van Matteüs met de vlucht naar Egypte en de kindermoord zal de voornaamste reden zijn waarom het nooit in de Nachtmis en de Dageraadsmis wordt gelezen. Het geboorteverhaal van Lucas daarentegen is een vertelling met een heel andere sfeer. Wanneer we nu inzoomen op de evangelielezing van vandaag, valt op hoe er tweemaal een bekende bijbelse aanhef wordt gebruikt: ‘en het geschiedde’ (v. 1, v. 6). Het kan nauwelijks toeval zijn dat dezelfde aanhef nogmaals in vers 15 zal klinken. We hebben dus te maken met een vertelling die uit drie delen bestaat en waarvan de climax in het derde deel ligt (2,15-20).
Met de vermelding van keizer Augustus (v. 1) houdt Lucas zich aan de belofte die hij aan het begin van zijn evangelie uitdrukkelijk heeft neergeschreven: ‘Alles nauwkeurig na te gaan en de gebeurtenissen in ordelijke vorm op schrift te stellen’ (1:3). Maar het noemen van keizer Augustus aan het begin van deze vertelling dient ook een ander doel; het vormt een prachtige boog naar de naam David (v. 5), de koning van wie Jozef een afstammeling is. Dat is de reden waarom de vertelling in en om de stad van David wordt gesitueerd, in plaats van Nazaret, een onbeduidend stadje in Galilea dat nergens anders in de geschiedenis van Israël een rol speelt of überhaupt in de Bijbel wordt genoemd. Binnen dit decor van tegenstellingen ontvouwt zich vervolgens een heel aparte scène.
Er wordt een kind geboren dat banden heeft met het huis van David, maar voor wie geen fatsoenlijke plek is in de stad van David. Het wordt namelijk in een voederbak gelegd en uitgerekend die voederbak zal het teken zijn waarmee het kind kan worden geïdentificeerd (v. 7, v. 12, v. 16). Nota bene door herders die buiten de stad van David de nacht doorbrengen. Bij het woord ‘herder’ hoort doorgaans een sterk idyllisch plaatje, maar daar moeten we toch voorzichtig mee zijn. Er zijn teksten die erop wijzen dat herders herhaaldelijk als groep aan de onderkant van de samenleving werden beschouwd; zie bijvoorbeeld Ezechiël 34. Of dat ook hier bij Lucas een rol speelt is niet echt te achterhalen. Feit is dat de tekst meldt dat ze, bij het verschijnen van een engel, ‘omgeven worden door de stralende luister van de Heer’ (v. 9). De engel brengt goed nieuws ‒ in het Grieks horen we het woord ‘evangelie’ ‒ voor heel het volk: ‘jullie redder, de Messias, de Heer’ (v. 11).
Het zijn de woorden die we weer tegenkomen in toespraken die Petrus houdt na de verrijzenis van Jezus, in een boek dat ook door Lucas is geschreven (Handelingen 2:36; 5:31). Het is daarom niet vreemd om te zeggen dat de geboorteverhalen zijn geschreven vanuit het perspectief van Pasen. Het is daarom niet toevallig dat de lofprijzing van de grote hemelse schare (2:14) nogal wat overeenkomst vertoont met die bij Jezus’ intocht in Jeruzalem (19:38). Kerstmis, de geboorte van de Heer, bestaat bij gratie van het lijden, het sterven en de verrijzenis van de Heer.
door: prof. dr. Panc Beentjes
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 97-06
