Handelingen 2,1-11
Pinksteren is van oorsprong een joods feest. Samen met Pesach (het Paasfeest) en Soekot (het Loofhuttenfeest) was Sjavoeot (het Wekenfeest) één van de drie jaarlijkse pelgrimsfeesten in het oude Israël. Het wordt zeven weken na Pasen gevierd, op de vijftigste dag. ‘Vijftigste’ is pentekostè in het Grieks, en daar komt de naam ‘Pinksteren’ vandaan. Het Wekenfeest was oorspronkelijk het agrarische feest van de tarweoogst; later werd het bovendien de herdenking van het Sinaiverbond en de gave van de Tora. De Tora is geen privébezit van Israël. Ze werd niet in het beloofde land, maar in de woestijn geschonken aan het ‘volk onderweg’, en volgens een rabbijnse legende weerklonk ze in zeventig talen, zodat alle volkeren op aarde haar kunnen verstaan. Lucas heeft daar ongetwijfeld aan gedacht toen hij in zijn ‘tweede boek’, de Handelingen, zijn pinksterverhaal schreef. Hij somt zeventien volkeren en groepen op, die de apostelen allemaal ‘in hun eigen moedertaal’ horen spreken (Hand. 2,8-11). Zeventien is, net als zeventig, samengesteld uit tien en zeven, getallen die volheid uitdrukken.
Lucas heeft dus niet zonder reden de nederdaling van de heilige Geest op de apostelen gesitueerd op de dag van het joodse Pinksterfeest. Het gedruis en het vuur in zijn verhaal (Hand. 2,2-3) herinneren aan het verhaal over het Sinaiverbond (zie Ex. 19,16-20), terwijl de hevige wind verwijst naar de Geest: het Hebreeuwse ruach betekent zowel ‘wind’ als ‘geest.’ Zoals in het joodse Pinksterfeest de gave van de Tora herdacht wordt, zo is dat in het christelijke Pinksterfeest de gave van de Geest, en in het beide gevallen is het een universalistisch feest van volheid en vervulling. Na zevenmaal zeven dagen wordt op de vijftigste dag het Paasfeest voltooid; allen worden ‘vervuld van de heilige Geest’ (Hand. 2,4).
Het meest opvallende resultaat van de werking van de Geest is dat de leerlingen ‘beginnen te spreken’ (Hand. 2,4): zij treden vrijmoedig naar buiten met hun paasboodschap (zie de redevoering van Petrus onmiddellijk volgend op het pinksterverhaal, Hand. 2,14-36). Dit spreken is een ‘spreken in talen’. Elders wordt met die uitdrukking de glossolalie bedoeld, het uiten van onverstaanbare klanken (zie 1 Kor. 14,2; vgl. Hand. 10,46). De woorden van sommige omstanders (‘Ze zijn zich aan zoete wijn te buiten gegaan’, Hand. 2,13, niet meer in de lezing opgenomen) zouden geïnterpreteerd kunnen worden als een spottende reactie daarop. Lucas stelt het verschijnsel hier echter voor als een ‘spreken in vreemde talen’: alle aanwezigen horen hen spreken in hun eigen taal. Zo ontstaat een ‘omgekeerd Babelverhaal.’
In Genesis 11 verstaan de mensen elkaars taal niet meer, waardoor ze verdeeld raken en verspreid worden over de aardbodem. In Handelingen 2 komen vertegenwoordigers van ‘alle volkeren onder de hemel’ (v. 5) in Jeruzalem samen, en hoe verschillend hun moedertaal ook is, allen verstaan het woord dat hier gesproken wordt.
Het Pinksterfeest markeert dus niet alleen een voltooiing, het is ook een nieuwe start. Het is het begin van de christelijke verkondiging. De apostelen worden gezonden, de wereld in: ‘Wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en mijn getuigen zijn in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, en tot het uiteinde van de aarde’ (Hand. 1,8). Pinksteren is het geboortefeest van de Kerk.
Zie: H.M.J. Janssen OFM, ‘Petrus de verkondiger’ (Handelingen 1,1–6,7), in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 60-73.
Psalm 104
Als antwoordpsalm voor het Pinksterfeest zijn enkele verzen uit Psalm 104 gekozen, en met name vers 30: ‘Zendt Gij uw geest, dan komt er weer leven, dan maakt Gij uw schepping weer nieuw.’ Psalm 104 is een loflied op Gods grootheid en wijsheid, zoals die tot uiting komen in de schepping. De verzen 29-31 brengen tot uitdrukking, dat al het geschapene afhankelijk is van de Schepper, in leven en in dood. De ‘levensgeest’ of ‘levensadem’ (ruach in het Hebreeuws) komt van God en wordt blijvend door Hem geschonken. Als Hij die weg zou nemen, zou alle leven omkomen. Schenkt Hij die, dan komt er weer leven. Gods levenwekkende Geest is een vernieuwende kracht.
1 Korintiërs 12,3b-7.12-13
In de hoofdstukken 12–14 van zijn eerste brief aan de Korintiërs handelt Paulus over de charisma’s of gaven van de Geest: de gaven van wijsheid, kennis en geloof; de gave om zieken te genezen of om wonderen te doen; de gave van de profetie, enz. De Korintiërs hechtten erg veel waarde aan sommige van die charisma’s. Paulus begint met te onderstrepen dat deze bonte veelheid van genadegaven het werk is van één Geest: men mag dus geen onderscheid maken tussen de mensen op grond van een of ander charisma. Eén God brengt alles in allen tot stand, en welke bijzondere gave iemand ook heeft, het gaat erom dat Jezus als de enige Heer beleden wordt. In de verzen 8-11 (niet opgenomen in de lezing) geeft Paulus dan een opsomming van de charisma’s, en welbewust zet hij daarbij het door de Korintiërs zo hooggeschatte ‘spreken in tongen’ (glossolalie, het uiten van onverstaanbare klanken) op de laatste plaats. Hij zal in hoofdstuk 14 nader ingaan op de eigen problematiek hiervan. Vanaf vers 12 past Paulus de klassieke vergelijking van het menselijk lichaam toe op de christelijke gemeenschap: alle charisma’s moeten samenwerken als de ledematen en organen van het éne lichaam van Christus.
Zie: H.M.J. Janssen OFM, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56.
Johannes 20,19-23
Deze lezing verhaalt de verschijning van Jezus aan zijn leerlingen, in de avond van de ‘eerste dag van de week’, de zondag van zijn verrijzenis. Jezus maakt zich bekend door de littekens in zijn handen en zijde te tonen: daardoor wordt uitdrukkelijk de band gelegd met zijn lijden en dood. De Verrezene is niemand anders dan de gekruisigde. Hij begroet zijn leerlingen met de gewone vredewens, die hier echter een theologische diepte krijgt, net als de vreugde van de leerlingen. De littekens van Jezus’ wonden verwijzen naar zijn liefde tot het uiterste. Zo worden in dit verhaal de eerste drie ‘vruchten van de Geest’ volgens Galaten 5,22 zichtbaar: liefde, vreugde, vrede. De leerlingen worden gezonden en krijgen de macht zonden te vergeven of niet te vergeven. Dit betekent dat hun zending, net als die van Jezus, de mensen oproept tot een beslissing: wie gelooft wordt niet geoordeeld, maar vindt vergeving van zonden en eeuwig leven; wie zich in ongeloof opsluit, wordt geoordeeld en veroordeelt eigenlijk zichzelf (vgl. Joh. 3,18-19; 11,25; 16,8-11).
In het verhaal lezen we dat Jezus aan zijn leerlingen de heilige Geest schenkt door over hen te blazen. Gods Geest komt immers tot uiting in de levensadem, die door God aan elk levend wezen werd meegedeeld (zie de antwoordpsalm, Ps. 104). Anders dan Lucas, die de gebeurtenissen na Jezus’ lijden en dood spreidt over een periode van vijftig dagen (Jezus’ hemelvaart op de veertigste dag; de gave van de Geest op de vijftigste dag), concentreert de vierde evangelist alles in één moment. Bij Johannes is de kruisdood van Jezus tevens het moment van zijn verheerlijking (zie Joh. 12,23; 13,31-32; 17,1); op het moment dat Jezus sterft aan het kruis, ‘geeft Hij de geest/Geest’ (Joh. 19,30). Ook in deze evangelielezing van het Pinksterfeest vormen Goede Vrijdag (de littekens van Jezus’ wonden), Pasen (de verschijning van de Verrezene) en Pinksteren (de gave van de Geest en de zending van de leerlingen) samen één geheel.
door: dr. Paul Kevers
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-03
