Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

22-02-2026

EXEGESE

Bij deze eerste zondag van de Veertigdagentijd nodigt de liturgie uit om na te denken over het maken van diepgaande, richtinggevende basiskeuzes: het afwegen van leven tegenover kennis van goed en kwaad, het doordenken van wat het betekent om echt kind van God te zijn.

Genesis 2,7-9; 3,1-7
De beproever
In de eerste lezing en in het evangelie krijgen we te maken met een figuur die iemand op de proef stelt: de slang in de tuin, de diabolos in de woestijn. Traditioneel vertaalt men diabolos (letterlijk iets als ‘uiteen werper’) als ‘duivel.’ Het is een figuur die beproeft (zo expliciet in Mat. 4,3) door twijfel en tweedracht te zaaien. De slang in de tuin vervult een gelijkwaardige functie. Toch zijn er verschillen in strategie te bespeuren. De slang begint een gesprek door een vraag te stellen, de beproever daagt uit om iets te bewijzen. Bij beiden is de verborgen vooronderstelling dat zij de wijsheid in pacht hebben en weten hoe alles echt in elkaar zit, waardoor de aangesprokene als het ware in de verdediging wordt gedrongen. Waar in de tuin de discussie draait rond de interpretatie van Gods geboden, gaat het in de woestijn over wat het betekent om kind van God te zijn, waarbij Jezus bijbelse uitspraken gebruikt om de visie van de beproever te weerleggen.

Interpretaties van Gods gebod
De slang deelt met de mens (zie Gen. 2,25; 3,1) de eigenschap van ‘naaktheid’, in de dubbele betekenis van het woord: kwetsbaar wegens afwezigheid van vacht/schubben, en sluwe slimheid. Naaktheid is niets om zich over te schamen (2,25), noch om het ongekleed zijn, noch om de sluwheid, die als een positieve eigenschap gezien wordt voor wie kwetsbaar is. Wie niet sterk of machtig is, kan maar beter sluw zijn om een overlevingskans te hebben.

Zowel de slang als de vrouw blijken in staat om het principe ‘omheining van de wet’ te hanteren. Deze joodse uitdrukking verwijst naar het denkproces waarbij men een wet probeert te beschermen door extra regels op te maken. Niet alleen het eindpunt (bijvoorbeeld moord) is dan verboden maar ook alles wat iemand op weg kan zetten om daar uit te komen: afgunst, winstbejag… De slang legt de vrouw zo’n interpretatie van Genesis 2,16v voor: van geen enkele boom mag gegeten worden, dat is toch wat God heeft gezegd? De vrouw ontkent dit, en plaatst haar eigen ‘omheining’: niet eten van de boom in het midden van de tuin, en die zelfs niet aanraken. Hierbij neemt ze de levensboom (die in het midden van de tuin staat, 2,9) samen met de boom van kennis van goed en kwaad, aangezien eten van die kennis de dood betekent. Bovendien vermijdt men door ze niet aan te raken, ook dat men er de vruchten van plukt.

Gods geboden als richtsnoer voor het leven
Het niet eten van de boom van kennis van goed en kwaad is in het scheppingsverhaal een kwestie van leven en dood. Zoals zoveel verhalen is ook dit verhaal sterk gelaagd. Het is niet enkel een oorsprongsverhaal (hoe komt het dat mensen sterven). Met de schepping van de mens in de omgeving van waar de grote wereldmachten ontstaan zijn (zie de rivieren in 2,10-14) krijgen we ook een voorafbeelding van de schepping van het godsvolk. Kiezen om Gods wegen te gaan, dat is een keuze tussen leven en dood, stelt ook Mozes in Deuteronomium 30,19 bij de bevrijding uit Egypte. Hij houdt het volk de keuze voor tussen leven en dood, tussen Gods zegen en vloek. Het is een kwestie van weten wat leven en toekomst biedt: kiezen voor deze God die hun God wil zijn. Vanuit deze visie is er maar één goede keuze: zich tot Gods volk maken door Gods richtlijnen te volgen. Of naar het tuinverhaal toe vertaald: zich tot Gods mens te maken door van alle bomen te eten behalve die ene.

De slang stelt het echter voor alsof God het verbod uit eigenbelang heeft opgesteld: om te vermijden dat zij concurrentie zouden worden door de kennis van goed en kwaad, en dat zij helemaal niet zullen sterven. Het verlangen naar wijsheid leidt ertoe dat de vrouw tegen het goddelijke gebod ingaat, met het gekende gevolg: wie niet kiest voor het leven, kiest voor de vloek.

Matteüs 4,1-11 – beproefd in de woestijn
Als Jezus de woestijn intrekt, is dit na zijn doopsel, gedreven door de Geest die op Hem neerdaalde. De evangelist plaatst Jezus zo op het spoor van het volk, dat veertig jaar rondtrok in de woestijn en daar vertrouwd werd met Gods wegen. Bovendien is er een parallel met Mozes, die veertig dagen en nachten de berg opging vooraleer de tien woorden te ontvangen (Ex. 24,12). Dat God mensen beproeft, komt vaker voor in bijbelse contexten: het is een onderscheidingsproces waarbij duidelijk wordt wat in iemands hart omgaat, waar men voor staat en voor gaat (zie Deut. 8,2). In het geval van Jezus hangt dit duidelijk samen met de ervaring bij zijn doopsel: wat betekent het om Gods zoon te zijn?

Als zoon van God zou Hij stenen in brood moeten kunnen veranderen, suggereert de beproever. Toen het volk honger leed in de woestijn, kreeg het van God manna te eten. In de context van Matteüs klinkt de duivelse suggestie logisch, als God uit stenen kinderen van Abraham kan voortbrengen (3,9), dan kan zou Gods Zoon toch ook brood uit stenen kunnen maken? Het eten van manna was een goddelijke beproeving, stelt Mozes in Deuteronomium 8,3, om tot de erkenning te komen dat mensen niet van brood alleen leven. Met zijn citaat gaat Jezus naar de kern: erkenning van de leven gevende kracht van Gods woorden, dat is wat iemand tot Gods zoon maakt. De beproeving is hiermee nog niet ten einde.

Als Jezus Gods Zoon is, is God ook zijn Vader. God is als een vader voor het volk (Deut. 32,6), omringt het met zorg, behoedt het als zijn oogappel, neemt het onder zijn vleugels als een arend zijn jongen (32,10vv). Onder Gods vleugels vind je je toevlucht, stelt ook de psalmist (Ps. 91,4). Van de overtuiging dat God zijn engelen opdraagt om die gelovigen te beschermen, zodat zij hun voeten niet stoten aan een steen (Ps. 91,11v), maakt de beproever een test. Als Jezus Gods zoon is, dan zal Hem niets overkomen als Hij zich van de tempel naar beneden werpt (Mat. 4,5v). Jezus doorziet echter hoe dit geen test zou zijn van zijn vertrouwen in God, maar een beproeving van God zelf en verwijst naar het verbod om God op de proef te stellen (Deut. 6,16).

Volgens Psalm 2,7v zegt God: ‘Jij bent mijn zoon, vraag het Mij en Ik geef jou de volken in bezit, de einden der aarde in eigendom.’ De beproever stelt het echter voor dat Jezus dit kan bekomen door hem te vereren. Het is de ultieme beproeving: welke God zal Hij dienen? (vergelijk Deut. 13,3v: de suggestie om andere goden te dienen is Gods beproeving om te zien of je God lief hebt met hart en ziel). Het aanbod stelt Jezus voor de keuze tussen God of de duivel. Jezus wijst de satan af, enkel God mag vereerd worden. De beproever verlaat Hem. Dat engelen zorg dragen voor Jezus, sluit aan bij de psalmtekst die de beproever citeerde en wordt zo een teken dat Jezus werkelijk een zoon van God is.

Romeinen 5,12(.17)-19 – in geloof verbonden met leven in Jezus
In de bijbelse traditie is de vraag niet, of God bestaat, maar wel of God er voor mensen is (ja!) en voor welke God mensen kiezen. Welke God men dient, blijkt uit de levensweg die mensen gaan. Het is een keuze tussen leven en dood, zegen en vloek (Deut. 32). Waar mensen zondigen (letterlijk: hun doel missen), leidt dit tot de dood. Waar zij voor het leven kiezen, tot zegen. Voor de christelijke gemeenschap is dit onderscheidingsproces voorgoed verbonden met Jezus. Wie in geloof verbonden blijft met Jezus, blijft ook verbonden met het leven. Paulus gebruikt hiervoor in Romeinen 5 de Adam/Jezus typologie. De mens (Adam, man en vrouw als eenheid) die kiest om Gods verbod te negeren, brengt de dood mee voor al wie dit voorbeeld volgt. Omgekeerd is Jezus trouw aan Gods weg, ten einde toe, en kiest hiermee voorgoed het leven, eveneens voor al wie met Hem verbonden blijft.

Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86

door: dr. Ine Van Den Eynde
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-01

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.39.1
Volg ons