Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

15-03-2026

HOMILETIEK (preekvoorbeeld en inspiratie)

Zien en zien. Dat zijn de kernwoorden deze zondag, zondag Laetare, de vreugdezondag in de Veertig dagen. Het donkere paars van de voorbereidingstijd licht op, het wit van het feest, van Pasen schijnt alvast vooruit. Hij kan niet zien, die jongen, zoals hij altijd is genoemd: de blinde jongeling – maar ja, is het wel een jongen? Zijn ouders leven nog, zo blijkt later, maar verder… Johannes heeft het over een ‘mens, een man.’ Hoe dan ook: hij ziet van jongs af aan niet, blindgeboren.

In het voorbijgaan, zo vertelt Johannes, ziet Jezus deze jongen. Terloops zo lijkt de evangelist het te zeggen, toevallig kwam Jezus langs, zoals je iemand in de supermarkt tegen het lijf loopt. Maar nee, niet dat terloopse, maar het voorbijgaan in de zin zoals in het Oude Testament de Heer zelf voorbijgaat, zoals Hij in de nacht van de bevrijding uit Egypte de huizen van de Israëlieten voorbijging en hen verloste. Zo ziet Jezus in het voorbij gaan de mens.

Ook de leerlingen zien hem en de eerste vraag die ze stellen is: wie is daar nou schuldig aan, dat hij niet kan zien? Hijzelf of zijn ouders… wie is de schuldige, wie is de zondaar? Het zal je maar gevraagd worden. Maar toch is die vraag van de leerlingen niet zo heel gek. In dat boeiende verhaal over Job, in het Oude Testament suggereren de vrienden van Job het ook steeds: ja beste man, je was zo rijk en nou zit je op de mesthoop – het kan toch niet anders, er moet iets misgegaan zijn in die verhouding tussen jou en God, want anders is er wat er met jou gebeurd is toch niet te verklaren. Maar Job, Job houdt vast: het is níet zo, ik bén een rechtvaardige.

Maar ook vandaag is die vraag niet helemaal vreemd, ‘waaraan heb ik dat nou verdiend?’ is een vraag die je bij iemand die ernstig ziek wordt nogal eens hoort. Nog afgezien van allerlei verbanden die aanhangers van complottheorieën weten te leggen. Jezus breekt met die wetmatigheid. Hij niet en z’n ouders ook niet. Voor onschuldig lijden is geen verklaring, ziekte, lijden, en gebrek zijn niet toe te schrijven aan de schuld van een paar enkelingen – soms, ja vaak is er geen verklaring te vinden hoe lastig dat ook te aanvaarden is – maar hier in het evangelie wordt het op deze blinde toegespitst: ‘opdat het werk van God in hem openbaar wordt!’

En hoe! Jezus spuugt op de grond, maakt met z’n spuug wat modder en smeert die op de ogen van de man en zegt hem: ga u wassen in het badhuis, het bronnenbad van Siloam. De man wast zich en hij komt terug en hij kan zien. Het water stroomt en hij ziet. Het doet je denken aan de doop: door het water heen, door het doodswater heen naar het nieuwe leven, door het doodse van de blindheid naar het licht dat over ons opgaat. Johannes gebruikt, we weten het, woorden met vaak met meerdere, diepere lagen – en zo ook hier: met de blindheid van deze man is meer of zelfs iets anders bedoeld dan alleen dat hij iets aan z’n ogen had – deze blinde is een beeld van, staat voor de mens, ja zelfs voor het volk dat geen licht ziet en in duisternis wandelt. En met het opnieuw kunnen zien duidt Johannes op meer dan dat hij weer in staat is om de mensen en de dingen om hem heen waar te nemen – als hij na het wassen in Siloam kan zien, dan ziet hij de messiaanse toekomst.

Zien, meer dan waarnemen. We horen het ook in de oudtestamentische lezing van vandaag, dat prachtige verhaal van de zalving van David. Dat begint ermee dat de profeet, Samuël op weg gestuurd wordt naar Isaï in Betlehem, want ‘ik heb bij zijn zonen voor mij een koning gezien.’ Een nieuwe moet er komen, het experiment met de eerste koning, Saul, is op een grote mislukking uitgelopen – en eigenlijk wil Samuël helemaal geen koning, immers God zelf is koning, maar toch wordt hij erop uitgestuurd, de Heer heeft een koning gezien. En daar worden ze aan hem voorgesteld, de zeven zonen van Isaï, eerste de oudste, maar de Heer zegt tot Samuël, nee, hij is het niet, verkijk je niet op zijn aanzien – het gaat niet om wat de mens ziet… niet hij, en ook niet de andere zes; zeven zonen passeren de revue, zeven, het getal van de volheid. Dit moet het zijn, zoals de scheppingsweek zeven dagen heeft. Meer is er niet, zo lijkt het toch. Tot blijkt dat er een achtste is, niet eens genood aan de offermaaltijd, achtergebleven bij de schapen – hij komt, is rossig, mooi van ogen en goed om te zien. En juist deze, waar niet mee gerekend was, die niet gezien werd, wordt gezalfd, omdat de Heer hem gezien had, deze met de naam David, die een messiaanse koning blijkt; uit zijn huis zal in Betlehem geboren worden die de Christus, de gezalfde is.

Hij die in het voorbijgaan de blinde zag. Hij, die het leven van die blinde nieuw maakte, maar die daarvoor door de farizeeën wordt aangeklaagd, want het was op de sabbat – dan breek je de wet van Mozes. De farizeeën roepen de man ter verantwoording. Maar de genezen blinde houdt het vol: die mij genezen heeft, die mij heeft zien staan en mij doen zien, moet iemand zijn die van God komt – en zij wierpen hem uit. Een banneling wordt hij, hij, in wie het licht van Gods toekomst gestalte krijgt, wordt een paria. Hij aan wie het gegeven werd om te zien, om te zien met andere ogen, om Gods toekomst te zien, wordt terzijde geschoven – zoals het, we weten het, toegaat op Goede Vrijdag, en daarmee op Pasen. Toegaat met het totaal opzijzetten van Hem die in het voorbijgaan ziet en daarmee toekomst geeft.

In zijn licht mogen wij leven, mogen we, steeds opnieuw leren te zien met andere ogen, deze wereld met alle vragen en zorgen, met alle politieke ellende en machtsaanspraken, ook te zien in het licht van dat Koninkrijk – en daarvan een teken zijn, tegen wat mensen blind maakt in.

door: ds. Nico Pronk
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.41.0
Volg ons