Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

15-02-2026

EXEGESE

Sirach 15,15f-20
Het boek Sirach, of Ecclesiasticus zoals het ook bekend is, werd geschreven rond het jaar 185 vChr. door een zekere Jezus Ben Sirach en in 132 vChr. in het Grieks vertaald door zijn kleinzoon.
In die tijd was het joodse land van de macht van de Egyptische Ptolemaeën overgegaan naar de Syrische Seleuciden. Dat rijk werd echter in zijn politieke eenheid bedreigd. Om die reden ontwikkelden de Seleuciden een globaliseringspolitiek met betrekking tot de onderworpen volken door ze te verplichten de Griekse cultuur, godsdienst en gewoonten aan te nemen, een soort cultureel imperialisme dat de eigenheden van de onderworpen volken in gevaar bracht.
Onder het joodse volk waren er die zich bereid toonden daarin mee te gaan en het Jodendom aan die universele beschaving aan te passen. Van de andere kant was er ook een sterke oppositie onder de Joden die alles op alles zette om hun geloof, hun trouw aan de Tora en de tradities van Israël te bewaren.

In die tijd van crisis schreef Sirach zijn boek als een beschouwing over de joodse trouw in een poging om zo het historisch besef van het volk levend te houden.
De perikoop van deze zondag is een protest tegen de opvatting van de bezetter en zijn joodse medestanders. De auteur heeft goed in de gaten hoe ernstig de situatie is. Er waren zelfs mensen die beweerden dat zonde eigenlijk van God zelf afkomstig is (vgl. vv.11-12). Sirach bestrijdt deze opvatting door te zeggen dat het van de mens zelf afhangt al dan niet trouw te zijn aan Gods oriëntatie (Tora). God heeft water en vuur voor de mens neer gezet; aan ieder de keuze waarnaar hij of zij de hand uitstrekt (vv. 16-18). Met deze metafoor van water en vuur, beeld van leven en dood, wil de auteur duidelijk laten zien dat ieder zijn geluk of ongeluk in eigen hand heeft naarmate hij kiest voor leven of voor dood.

Psalm 119, 1-2; 4-5; 17-18; 33-34
De antwoordpsalm is een selectie uit de grote lofzang op het feit dat het volk mag leven met en volgens de Tora. Dat wordt al direct duidelijk in het eerste vers: ‘Gelukkig degenen wier levensweg rein is, die voortgaan volgens de wet van de Heer.’ Dit is eveneens de thematiek van de eerste lezing en van het evangelie van deze zondag.

1 Korintiërs 2,6-10
Zie: H.M.J. Janssen OFM, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Matteüs 5,17-37
De evangelieperikoop van deze zondag zou je kunnen indelen in twee onderdelen. In het eerste deel, de verzen 17-19 lijkt Jezus zich te verdedigen tegen aantijgingen dat Hij de Tora niet of niet goed onderhoudt: ‘Denkt niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten op te heffen.’ Vers 20 kan gezien worden als een soort scharnier tussen de twee delen: ‘Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en farizeeën niet ver overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der Hemelen.’ Vervolgens in het lange tweede deel geeft Jezus voorbeelden van die gerechtigheid zoals moord en doodslag, haat en offers, echtbreuk etc. Op deze wijze bekritiseert Jezus ook de praktijk van velen (schriftgeleerden en farizeeën) die zichzelf als rechtvaardigen beschouwen terwijl ze vergeten dat God de harten van de mensen oordeelt (vgl. 6,1-18).

In de evangelielezing van deze zondag verkondigt de evangelist dat de ware gerechtigheid, niet iets is van rechtbanken of tribunalen, maar een weg die de mens moet gaan volgens Gods aanwijzingen (Tora) naar het voorbeeld van Jezus. Deze erkent zelf dat allen die Gods wil volbrengen, zijn ware broeders en zusters zijn (vgl. 12,49v). Hiermee staat Jezus in de lijn van het Eerste Testament dat de gerechtigheid ook tekent als het leven volgens Gods wil. Hierin bevindt zich de zekerheid toegang te verkrijgen tot het Rijk der Hemelen (vgl. 5,10 en 20).

De basis van de gerechtigheid is volgens Jezus de liefde tot de naaste en zelfs tot de vijand (5,43-48). Zo wordt eveneens duidelijk dat het Rijk der Hemelen niet op de eerste plaats iets is van een verre toekomst, een geweldig eschatologisch fenomeen, maar de aanwezigheid Gods onder armen en hen die dorsten naar gerechtigheid (5,6). De verkondiging van het rijk en de gerechtigheid vertoont zo een zekere spanning tussen het heden en de toekomst, maar juist zo presenteert de evangelist de praktijk van de gerechtigheid als voorwaarde om tot dat definitieve rijk te geraken.

Gerechtigheid is zo het grondmotief van de Bergrede, samengevat het vervullen van Gods wil zonder zich druk te maken om een eventuele beloning. Dit vervullen van Gods gebod vindt zijn meest markante uitdrukking in de oproep tot de liefde, zelfs tot de vijanden (vgl. 5,44v).

door: Gerard van Buul OFM
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-01

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.39.1
Volg ons