Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

14-06-2026

EXEGESE

Exodus 19,2-6a
Exodus 1–19 onthult bijbelse Verbondstheologie: een farao ‘die Jozef niet meer kende’ onderwerpt een volk dat vluchtte voor een hongersnood, aan slavernij en, uiteindelijk, aan moorddadige geboortebeperkingen. Pas wanneer deze slaven onder leiding van Mozes en geholpen door Gods bevrijdend handelen Egypte uittrekken, kunnen ze, met vallen en opstaan, leren wat het betekent een vrij volk te zijn. In de leegte en beproevingen van de woestijn verlangen ze naar oude ‘verslavingen’, de komkommers (Num. 11,5) en vleespotten (Ex. 16,3) van Egypte. Erger is de hang naar profetisch bekritiseerde ‘afgoderij’, het vereren van zichtbare illusies: niemand kan Gods gelaat zien en leven (Ex. 19,21; 33,20), deze God onthult zich in Zijn profeten en in Zijn Wet. Maar alleen in vrijheid kan Gods Tora worden gegeven en ontvangen. Die wet is bemiddeld door Mozes, haar kern is het soeverein spreken van de Eeuwige. JHWH instrueert Mozes daarover in Exodus 19,2-6. Tora omvat zowel instructie, verbod, als de daaraan ten grondslag liggende Wijsheid, een ethos van leven en politiek.

De berg, Sinai, is geen geografische constante maar de plaats waar de Verbondsgod zich mededeelt, zoals Mozes (Ex. 34) en Elia op de Horeb (1 Kon. 19) persoonlijk ervaren. ‘God voert het volk niet naar een bepaalde bestemming in de woestijn maar dicht bij zijn eigen wezen’ (Graham I. Davies, Exodus 1-18: A Critical and Exegetical Commentary, ICC, p. 493).

Bijbelwetenschappers wijzen op het literaire model van feudale contractsystemen uit Sumerische en Akkadische teksten, maar de vrijwillige aanvaarding van de goddelijke Wet wijkt hiervan af. Zo ook de intieme aanduiding van het volk als Gods segula, ‘kostbaar bezit’, gebruikt voor koningen (Deut. 7,6; 14,2; 26,18) maar hier gekoppeld aan Tora (Pred. 2,8). Mozes is middelaar en profeet, ook wetgever, maar zeker geen koning. De rabbijnse midrasj op Exodus 20,1 (‘Ik ben de Eeuwige, jullie God, die jullie uit Egypte heeft uitgeleid.’) duidt de vrijheid waarmee het volk Gods Tora aanvaardt met een parabel over een koning die pas dan erkenning vindt wanneer hij kan wijzen op zijn bevrijdende politiek. De Wet van God wordt nu grondwet van een volk, Gods koningschap wordt in haar zichtbaar. Met name in de ethische relatie is de mens getuige van dat Verbond, cultisch verzet tegen afgoderij weerspiegelt sociaal ethos. De Wet is de politieke constitutie van het volk Israël, haar grondslag en haar bestemming. Bijbelse religie is bij uitstek sociaal ethisch, dat wil zeggen, gericht op het marginale van de samenleving: wees, weduwe, vreemdeling, de economisch verarmde, onvrije, fysiek of mentaal beperkte (vgl. bijv. Ex. 22,20-26, Lev. 19,13v!).

Onze perikoop (Ex. 19,2-6) biedt de aanloop tot dat in de geopenbaarde Wet gewortelde contract van God en Zijn volk: de Israëlieten legeren zich op de derde maand bij (neged) de berg, die slechts door Mozes wordt bestegen. Later moet het volk zich legeren onderaan (tachat) de berg (Ex. 19,12.17.21-24), verder mogen ze niet komen. Alleen Mozes gaat heen en weer en bemiddelt zo het spreken van de Eeuwige. Mozes ging naar Elohim en JHWH riep tot hem vanaf de berg: Mozes stijgt op naar de universele natuurgod Elohim, maar het is de intieme Verbondsgod JHWH die tot hem spreekt (vgl. ook Ex. 34,5-7!).

Op arendsvleugels heeft deze God hen bevrijd en tot hier gevoerd, en ‘onder arendsvleugels’ als bescherming tegen pijlen en stenen (vgl. Ex. 14,19v), zo Rasji. In Hebreeuws parallelisme moet Mozes die woorden overbrengen ‘tot het Huis van Jacob, de kinderen van Israël’, uitgelegd door Rasji als vrouw (‘Huis’) en man (‘Zonen’) omvattend. Natuurlijk is dit een poëtisch parallelisme, maar de uitlegtraditie ontvouwt een bijbelse krachtlijn: de Wet is zowel gericht op een collectief (‘Huis’) als op een persoon (‘Zonen’). Ze is objectief geldig, maar alleen werkzaam en zichtbaar dankzij persoonlijke studie, uitleg en praxis. Zo de Talmoedische rabbijnen en zo Mozes Mendelsohn, tijdgenoot van Kant.

Instemmen met de Wet gaat wel vooraf aan haar begrip, zo een lenige lezing van het Hebreeuwse parallelisme ‘zullen wij doen en horen’ (Ex. 24,7): menselijke autonomie rijpt in de ruimte van de wet. Gods wet dient jouw wet te worden wil het Wet zijn. De Wet heeft een duidelijke richting, ze bepaalt hoe de ‘zonen van Israël’ tot een heilig volk (am qadosj) worden, een ‘koninkrijk van priesters’ (mamlechet kohanim). Beide begrippen zijn bepalend voor de theologie van het Verbond. Niet omdat alle Joden priesters zijn, dat geldt alleen de Aäroniden, wel omdat ze apart moeten staan van de volkeren, zoals priesters eigen taken en rollen hebben waarmee ze niet volledig opgaan in het leefpatroon van andere volksgenoten. Heilig, qadosj, betekent apart stellen, separeren, onderscheiden van het dagelijkse. Zo is de sjabbat heilig tegenover weekdagen, het Land heilig tegenover landen, Jeruzalem heilig tegenover steden, en de Tempel heilig als verblijfplaats van God en zijn cultus. Dat ‘heilige’ vereist dan ook een passend gedrag en onderliggend ethos.

Romeinen 5,6-11
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86.

Matteüs 9,36–10,8
Onze perikoop koppelt twee hoofdstukken en biedt de opmaat naar de zogeheten Missierede (Mat. 10), de tweede van vijf redevoeringen in dit evangelie. Doel van die missierede is de leerlingen voor te bereiden om de presentie van het Koninkrijk van God te verkondigen onder de kinderen van Israël (vgl. Mat. 13). In dorpen waar men welkom is (Mat. 10,12-15), want wie een van deze leerlingen ontvangt, ontvangt de Meester zelf (Mat. 10,40). Vandaar ook dat de presentie van dat Koninkrijk genezing is, zoals Jezus dat liet zien: ‘Genees zieken, wek doden op, maak melaatsen rein, drijf demonen uit’ (v. 8). Bijzonder is de combinatie van handelingen die doet denken aan Jesaja 61,1-3. (Die samenhang verschijnt duidelijker in het antwoord van Jezus op de vraag van de leerlingen van Johannes in Luc. 7,22). De traditiegeschiedenis van Jesaja voegt het opwekken van doden toe. Dat hebben we ontdekt dankzij de parafrase op Jesaja 61 in de Arameese Apocalyps in Qumran (4Q521; fragment 2 ii + 4,1-3). Het Koninkrijk is volop gerealiseerd leven in de schepping. De handelingen maken het ‘Goede Nieuws’ van Gods Koningschap (Jes. 52,7-10; 61,1-3) zichtbaar, vanuit Israël naar de volkeren, niet omgekeerd. Matteüs begrijpt die realiteit als een binnenjoodse ontwikkeling. Het Griekse ecclesia (Mat. 18,17) is nog geen ‘kerk’ in de latere zin van dat woord, maar de LXX weergave van het Hebreeuwse Qahal Israël. Sociaalhistorisch gezien vormt de ecclesia een reformistisch sektarische beweging, intern strak gestructureerd maar in interactie met haar omgeving. Theologisch is zij een belichaming van Jesaja 61,6-9; 66,18-21, pars pro toto voor een ‘heilig volk’, met enkelingen uit de volkeren. Zo moet onder Joden en onder de volkeren Gods Koningschap zichtbaar worden. In de loop van de geschiedenis zijn die verhoudingen numeriek omgekeerd en is de relatie tot het Jodendom sterk verduisterd. Jodendom heeft haar eigen, particuliere en niet reduceerbare verhouding tot de Wet. Maar een ‘missie’ die zich richt op genezing van Kerk en wereld, voor iedereen ‘dichtbij en veraf’ (Jes. 57,19), toont het universele gezicht van Gods Koningschap.

door: dr. Eric Ottenheijm
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-03

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.43.0
Volg ons