Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

11-01-2026

HOMILITIEK (preekvoorbeeld en inspiratie)

Het water van de Jordaan waarin Jezus ooit gedoopt werd, is natuurlijk gewoon water en niet eens glashelder. Maar toen Jezus erin onderging, heeft Hij dat water geheiligd. De oude draak die daar huist, is overwonnen en de Leviatan, dat voorwereldlijk monster, getemd. Dat is natuurlijk bijbelse beeldspraak, maar u begrijpt wel wat ik bedoel: oergevaar, oude angsten.

 

In vroeger tijden meende men dat door Jezus’ doop het water van de Jordaan nu kracht bezit, geneeskrachtig is, goed is tegen allerlei kwalen. Dus werd ‘Jordaan’ de naam van allerlei smeersel bij de drogist, nog steeds is Jordan een tandpastamerk.

 

Jezus heeft door zijn doop het water van de Jordaan geheiligd. En natuurlijk is doopwater gewoon water uit de kraan, maar als je je vooroverbuigt, in de rimpelingen van het water in de vont, zie je niet alleen jezelf weerspiegeld. In de kringen in het water doet zich de geschiedenis van de hele wereld voor.

 

Op de dag van Jezus’ doop stroomden in de Jordaan alle wateren van de oervloed samen. De Geest van God zweefde er over heen en er kwam een nieuwe schepping tot stand.

Het water van de grote vloed uit de dagen van Noach spatte daar weer op, rond Jezus’ doop.

De golven van de Rode Zee, waar de kinderen Israëls dwars doorheen moesten toen ze de slavernij van Egypte ontvluchten, spoelden daar over Jezus heen.

Jezus wordt in al deze verhalen ondergedompeld en op de oever zien, tussen de menigte, ook Noach, Mozes, Naäman en Jona toe. Zij houden hun adem in. Zij weten hoe een kritiek moment dit is.

 

Jezus kwam naar de Jordaan om de doop te ontvangen, maar Johannes wilde hem tegenhouden, want Johannes vond het niet gepast dat ook Jezus de doop zou ondergaan.

Hij zou hem ervan weerhouden dat Jezus een zondaar onder de zondaars zou worden, ook een mens met een kras door zijn ziel, een mens die met God en mensen in het reine moet komen, een mens die schuld draagt en die in den blinde tast naar Gods wil.

 

Johannes wilde Jezus liever zuiver houden, een kind van de hemel, een godenzoon, een maagdelijk witte bladzijde in Gods grote mensenboek. Maar Jezus zei: ‘Toch moet je het doen, want zo dienen wij de gerechtigheid geheel en al tot vervulling te brengen.’ En zo heeft Jezus die veronderstelde blanke lege bladzijde vol laten schrijven met alle verhalen en de vlekken, de schandvlekken van heel het menselijk bestaan.

Op zijn bladzijde staan nu de probeersels en de doorhalingen van jouw levensverhaal. En niet alleen het verhaal zoals je dat graag vertelt, wel duizend keer, zo is het gegaan, maar ook daar waar je met horten en stoten niet weet hoe je het zeggen moet. Je begint te stotteren, er zijn geen woorden voor, onuitsprekelijk wat je hebt meegemaakt, je krijgt het niet kloppend: de hiaten, de bladzijden die je mist.

Dat verhaal heeft Hij tot het zijne gemaakt. Want niet ergens op een onbeschreven blad, maar hier en nu moet de gerechtigheid worden vervuld. Niet in de witte marge van een hemelse boekhouding maar door een mens te zijn op aarde wordt de gerechtigheid openbaar. Jezus heeft zich laten dopen met geen andere doop dan de doop die al die anderen ook ondergingen: tot bekering, onder belijdenis van hun zonden. In hem ben ook jij gedoopt.

 

Zie, Jezus, die druipende dopeling, rijst op uit het water en dat water weerspiegelt dat de hemelen zich openen. Het ontoegankelijk licht van de Eeuwige gutst over deze dopeling heen en de Geest komt aanvliegen als een duif die zich op hem neer geeft. En er klinkt een stem uit de hemel: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind ik vreugde.’

De doop is een feest van de Drievuldigheid Gods. De zoon rijst op uit het water,

al fladderend komt de Geest daar aangesneld en God de Vader zelf beduidt wat dit alles betekenen mag. Hij preekt dat het een lieve lust is: ‘Mijn zoon, mijn vreugde.’ De hemel scheurt open, het koninkrijk van God wordt openbaar.

 

En die duif, wie heeft dat beestje gezien? Zij komt van ver, haar hartje bonst. Er staat geschreven: ‘Zodra Jezus gedoopt was en uit het water omhoogkwam – zijn verrijzenis – opende de hemel zich voor Hem en Híj zag hoe de Geest van God als een duif op Hem neerdaalde.’

De hemel staat wijd open, maar volgens het evangelie was Jezus de enige die het zag. De mensen, zij komen ongeweten in het licht van Pasen te staan. En de duif streek ook al zo ongezien op Jezus neer. Niemand die haar zag.

 

Zij vloog in den beginne over de oervloed, toen de aarde nog woest en ledig was. En Noach heeft die duif laten gaan over de wateren van de grote vloed. En die duif heeft zo gezocht naar een tak, een plek om te rusten. Die duif, zij fladderde heen en weer op zoek naar een nieuw begin, een eerste top, een kruin van de nieuwe wereld, die zich vanonder het zakkende water zou voordoen.

Die duif keerde terug, tevergeefs uitgevlogen. Die duif keerde terug, later, met een groene twijg in haar snavel. En nog eens heeft Noach haar laten gaan, hij heeft haar nagezwaaid en nooit meer terug gezien.

Het uitblijven van die duif, was voor hem een teken van leven. Dat beestje kon zichzelf kennelijk redden. Dat die duif wegbleef gaf hem kracht. Dat is wonderlijk: niet zien geeft hoop! Geloven is levenslang wachten.

 

En Jona, zijn naam betekent duif, ook al was hij – gezien zijn houding jegens Ninevé – veeleer een havik, uit op de ondergang van zijn vijanden. De ironie wil dat hij Jona heet, vredesduif. En Jona zweefde over de wateren, maar dat was maar even: tussen dat de scheepslieden hem overboord jonasten en hij verdronk in de zee, als niet dat voorwereldlijk monster hem had opgeslokt.

Ja, de vredesduif van God is voortvluchtig, vogelvrij. Er wordt op haar geschoten, zij is gekortwiekt, opgesloten in een veel te klein kooitje, zij is ontsnapt, opgejaagd, vleugellam neergestort. Die duif, de Geest van God, waar zal zij vrede brengen?

Het evangelie wil dat die duif, nu de hemelen zich openen, met brede wiekslagen komt aangevlogen en eindelijk landt op Jezus’ schouder. Koerend getuigt zij van een eerste rustpunt in deze dwaze, wrede wereld.

Een eerste rustpunt, vast en zeker, vanaf hier zal de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zich aandienen, vrede en gerechtigheid doen zich voor.

Er hat ’nen Vogel, zeggen de Duitsers van iemand die Goddank niet helemaal is aangepast, afwijkend. En wij, wij hebben hier het klapwieken van die vogel gehoord. Erg tam is zij niet, maar dat moet ook niet. Zij is ooit bij Eén op de schouder gaan zitten. En die Eén is één van ons.

 

door: drs. Klaas Touwen
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-01

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.39.1
Volg ons