Vandaag gebruikt Jezus in het evangelie van de Bergrede twee beelden die ontleend zijn aan het alledaagse huiselijke leven. Licht en zout. Jullie zijn licht voor de wereld zegt Hij. Als je een lamp aansteekt moet je die niet onder een emmer zetten. Licht is er om te verspreiden, om het donker te verdrijven. Licht brengt aan het licht wat verkeerd is, en verdrijft het duister van onrecht en kwaad. Jullie zijn licht, zegt Jezus, verspreid dat licht dan ook, zorg dat de mensen je goede daden opmerken en er blij om worden.
Maar jullie zijn ook zout. Waarom zout? Een van de belangrijkste eigenschappen van zout is, dat je er voedsel mee kunt conserveren. Tegenwoordig hebben we de diepvries en de blikken, maar vroeger werd vis en vlees en groente vaak ingezouten, zodat ze houdbaar bleven en niet snel zouden bederven. Zout is onopvallend. In het eten zie je het niet, maar je proeft het wel. Je hebt er niet zo veel van nodig voor de smaak; voor het inzouten van voedsel moet je wat meer gebruiken. Zout was in de antieke tijd iets kostbaars, zelfs zo dat Romeinen wel loon aan soldaten uitbetaalden in zoutblokjes. Vandaar het woord salaris, dat komt van salis, zout.
Waarom zegt Jezus tegen zijn leerlingen dat zij het zout der aarde zijn? Omdat je met zout het bederf tegen kunt gaan. Wat voor bederf zou er dan bedoeld zijn? Er is veel kwaad in de wereld. Er is de grenzeloze hebzucht die mensen ertoe brengt om steeds maar bezig te zijn met meer en groter en duurder. Door hebzucht komen mensen ook tot bedrog en diefstal en handel in drugs. Door de hebzucht van sommigen worden de levens van velen verwoest. Er is onbegrijpelijke gewelddadigheid; een zeker plezier om te shockeren en anderen pijn te doen. Er is op grote schaal misbruik van seksualiteit waardoor de menselijke waardigheid te grabbel wordt gegooid en vrouwen en kinderen vaak misbruikt worden. Laten we niet te makkelijk optimistisch zijn over de menselijke natuur. Er is veel kwaad, veel duisternis en veel bederf. Dat zeg ik zonder te willen doemdenken, zo eerlijk en reëel mogelijk. Jezus was niet oppervlakkig optimistisch over de mens. Als je de Bergrede leest dan weet je dat hij oog had voor het kwaad en de zonde in iedere mens.
Jullie zijn het zout der wereld, zegt Jezus tegen zijn volgelingen. Jullie zullen moeten waken tegen het bederf van de wereld en de mens, waken tegen het bederf van Gods goede schepping. Eerlijk gezegd vind ik dat wel een enorme taak, een enorme verantwoordelijkheid die ik zo ineens opgelegd krijg. De meesten van ons staan helemaal niet zo sterk in hun schoenen; je hebt allemaal wel eens een bepaalde onzekerheid over je geloof en wat God van je vraagt. Ieder mens gaat er ook verschillend mee om. Je voelt je wel eens machteloos tegenover alle problemen die de moderne wereld via de media op ons bordje legt. Ook de apostel Paulus voelde zich zwak tegenover de grote taak die hij ontvangen had. Ik had niet veel welsprekendheid en geleerdheid, zegt hij. Ik voelde me zwak en vol angst en beven. Misschien krijg je dan de neiging om je af te sluiten en te zeggen: ze zoeken het maar uit, ik leef mijn eigen leventje en heb met die wereld om me heen niets te maken.
Maar Paulus heeft toch de uitdaging op zich genomen. Hij voelde dat de Heilige Geest in en door hem werkte. En dat geldt toch ook voor ons. Je ontkomt er niet aan als je christen wilt zijn om het goede nieuws van Jezus in praktijk te brengen en uit te stralen. Gelukkig krijg je daarbij de hulp van Gods Geest. Zijn kracht wil in en door ons werken. Ons geloof hangt niet van onszelf af, maar moet steunen op de kracht van God, zegt Paulus.
Jullie zijn het zout der aarde, zegt Jezus, jullie zijn het licht der wereld. Hij gebruikt met opzet twee beelden: sommigen van ons lijken meer op zout. Ze zetten zich in alle stilte en onopvallend in voor hun naaste. Je hoort en ziet hen niet, maar ze zijn er wel en de wereld zou een stuk beroerder zijn als deze mensen ophielden met hun inzet. Anderen maken het meer zichtbaar, niet omdat ze te koop lopen met hun daden, maar omdat je gewoon ziet dat ze licht brengen, dat ze goed doen; ze hebben uitstraling. En tegenover het bederf en de duisternis is er gelukkig heel veel menselijkheid, van christenen, maar net zo goed van niet-gelovigen, van humanisten, van andersgelovigen. Mensen die het geloof de rug toegekeerd hebben, maar met des te meer kracht zich inzetten voor gerechtigheid en naastenliefde. Mensen die helemaal niet kerkelijk zijn grootgebracht, maar eerlijk en integer zijn, zorgzaam en zorgvuldig met de mensen en de natuur omgaan. Laten we ook als kerkgemeenschap proberen iets uit te stralen. De mensen verwachten iets van ons als christenen. We kunnen ons geen onverschillige of gemakzuchtige houding permitteren. Als je je brood met de hongerigen deelt en dakloze zwervers verwelkomt en je niet afkeert van je naaste, dan zal je licht stralen als de dageraad, zegt de profeet Jesaja. Ieder op onze eigen plek kunnen we iets doen om Gods licht te laten stralen. Laten we niet ophouden in alle eenvoud het goede te doen.
door: dr. Johan te Velde OSB
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-01
