Jesaja 58,7-10 – Licht als de dageraad
De eerste lezing uit de profeet Jesaja laat zien hoe, nadat Israël is teruggekeerd uit de ballingschap (538 vChr.), het nog niet zo vanzelfsprekend is om samen te leven in het land. Heersende onrechtvaardige machtsstructuren zijn het tegendeel van wat de Heer van zijn volk vraagt (Jes. 56,1). In de hoofdstukken voorafgaand aan de tekst van deze zondag wordt geschetst dat de redding en gerechtigheid van de Heer geen privilege zijn voor alleen de machtigen en rijken, maar ook gelden voor de vreemdeling, de buitenstaander: ‘Mijn huis zal heten: Huis van gebed voor alle volken’ (56,7). Tegelijk worden ook de misstanden in de samenleving benoemd: blinde wachters, herders zonder enig inzicht (56,10vv). De Heer benadrukt nog eens dat Hij opkomt voor zijn volk, vrede brengt en omziet naar wie treuren. Echter: voor de slechteriken, de goddelozen, is er géén vrede (57,14-21). Het resulteert in de oproep van de Heer om het volk zijn fouten te doen inzien. Want het denkt wel dat het zich houdt aan religieuze voorschriften en vasten, maar – en dat geldt vooral de machthebbers – ondertussen beulen ze hun arbeiders af, ze vechten en schelden, en vragen zich dan zelfs nog af waarom de Heer hun inspanningen om te vasten en zich te vernederen niet ziet (58,1-4).
Maar hun manier van vasten is niet het vasten dat de Heer voor ogen staat.
Wat dan wel? Vasten is geen hol religieus ritueel, maar heeft juist ook een sociaal ethische kant: mensen vrijmaken, te eten geven, kleden (58,6-7). Doe je dat, dan word je zichtbaar, word je een licht dat doorbreekt als de dageraad. Dan zal de Heer wél acht op je slaan, of anders gezegd: als je Hem dán om hulp vraagt, zal Hij antwoorden: ‘Hier ben Ik’ (58,9; hier wordt niet de Godsnaam jhwh gebruikt). Nogmaals volgt een aantal kwaliteiten die wat de Heer betreft het ware vasten kenmerken: niet onderdrukken, niet bedreigen of valse aanklachten doen, de hongerige en onderdrukte te eten geven, en wederom de belofte dat je licht zal opgaan, nu in het donker, en helder als het middaglicht.
De items van het juiste, welgevallige vasten doen denken aan onder andere Matteüs’ hoofdstuk over het oordeel van de Mensenzoon: ‘alles wat jullie niet voor één van de minsten hebt gedaan, heb je ook niet voor Mij gedaan’ (Mat. 25,31-46) en de Zaligsprekingen (5,1-12, zie ook Luc. 6,20-38).
1 Korintiërs 2,1-5
Zie: H.M.J. Janssen OFM, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56
Matteüs 5,13-16 – Licht van de wereld
Op de vierde tot en met de negende zondag door het jaar in het A-jaar is het evangelie uit de Bergrede van Matteüs. Gezien de wisselende Paasdatum en bijbehorende Veertigdagen- en Paastijd, komen lang niet elk A-jaar al deze zondagen voorbij. Dit jaar volgt er na vandaag alleen nog de zesde.
De Bergrede is de eerste van vijf grote toespraken van Jezus in dit evangelie. Deze eerste rede wordt gehouden vanaf een berg, vandaar de naam. Het spreken vanaf een berg roept associaties op met het spreken van God met Mozes, ook op een berg (Sinai), bij het geven van de geboden (Ex. 19,19-25). Vijf toespraken, zoals de vijf boeken van de Tora, én een berg: Jezus wordt hier getekend als een profeet zoals Mozes, zoals de Heer beloofd heeft te zenden (Deut. 18,18).
De Bergrede begint met de Zaligsprekingen, waarin verschillende groepen gelukkig genoemd worden, gezegend, zalig (Grieks makarios), mensen die niet vooroplopen met macht en aanzien, maar eerder zachtmoedig, barmhartig en vredebrengend zijn. Jezus spreekt deze woorden tot zijn leerlingen, maar, gezien de locatie, ook tot de menigte die Hem gevolgd is. In de laatste zaligspreking keert Hij zich nadrukkelijk tot zijn publiek en spreekt hen aan met ‘jullie’: jullie die vervolgd worden omwille van Mij, zoals ze de profeten voor jullie hebben vervolgd. De toehoorders worden hier dus met de profeten vergeleken (Mat. 5,1-12).
Zonder grote overgang begint vervolgens de lezing van deze zondag. De aangesprokenen blijven dezelfde, maar wel wordt de toon directer: van ‘gelukkig ben je als…’, wordt nu nadrukkelijk gezegd wie en wat zij zijn: het zout van de aarde, het licht van de wereld. Dat houdt een opdracht in. Zout dient te zouten, licht hoort licht te geven, anders heb je er niets aan. In vroeger tijd, en in onze streken nog niet eens zo lang geleden, werd zout niet alleen gebruikt als smaakmaker, maar ook als conserveringsmiddel. In warme streken was dat kostbaar. Romeinse soldaten bijvoorbeeld kregen hun ‘loon’ betaald in zout (salarium, hiervan is het Nederlandse woord ‘salaris’ afgeleid). Rond de Dode Zee, toen ook wel ‘Zoutzee’ genoemd (Gen. 14,3), werd ook in Jezus’ tijd zout gewonnen door water met een hoog zoutgehalte te laten verdampen en het zout over te houden. Nu Jezus zijn hoorders met ‘zout der aarde’ aanspreekt, houdt dat, gezien zijn vervolgwoorden, direct in dat zij ook als ‘zout’ moeten zijn. Zout dat niet zout is, is volslagen nutteloos, wordt weggegooid, of erger nog: het wordt vertrapt.
Ook noemt Jezus zijn volgelingen: ‘licht van de wereld’. Voordat Hij, net als bij het zout, een vergelijking maakt met licht dat geen licht geeft (want het staat onder de korenmaat), maakt Hij een opmerkelijk uitstapje naar een ‘stad op de berg’ die niet verborgen kan blijven. Zinspeelt Hij hier op Jeruzalem, de stad op de berg? Bij de profeet Jesaja worden Jeruzalem en de Heer ook met ‘licht’ geassocieerd: ‘volken komen naar uw licht, koningen naar de glans van uw dageraad’ en ‘de Heer zal uw licht zijn voor eeuwig’ (Jes. 60,3.20). Ziet Jezus de grote menigte en de leerlingen die Hem volgen als het nieuwe Jeruzalem?
Mooi is de afronding van deze passage met de duidelijke boodschap: geen zinnig mens zet een lamp onder een korenmaat, maar zorgt dat die lamp licht geeft, volgens Matteüs ’voor allen in huis’. Dat is de opdracht aan wie Jezus wil volgen: goede werken doen, die gezien én herkend zullen worden door iedereen, én daarmee de Vader verheerlijken.
Met iets andere woorden draagt Jezus dezelfde gedachte uit die de eerste lezing kenmerkt: niet in rigide regels, maar in daden van medemenselijkheid komt Gods heerlijkheid aan het licht.
door: dr. Joke Brinkhof
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-01
