Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

STAP 2 - Gods naam

Bijbeltekst(en)

Exodus 3

1Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanitische priester, te weiden. Eens dreef hij de kudde ver de woestijn in, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God. 2Daar verscheen de engel van de HEER aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd. 3Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken. 4Maar toen de HEER zag dat Mozes dat ging doen, riep Hij hem vanuit de struik: ‘Mozes! Mozes!’ ‘Ja, ik luister,’ antwoordde Mozes. 5‘Kom niet dichterbij,’ waarschuwde de HEER, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. 6Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.

7De HEER zei: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, Ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, Ik weet hoe ze lijden. 8Daarom ben Ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen, een land dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. 9De jammerklacht van de Israëlieten is tot Mij doorgedrongen en Ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. 10Daarom stuur Ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.’

11Mozes zei: ‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’ 12God antwoordde: ‘Ik zal bij je zijn. En dit zal voor jou het teken zijn dat Ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren.’

13Maar Mozes zei: ‘Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: “Wat is de naam van die God?” Wat moet ik dan zeggen?’ 14Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd.”’ 15Ook zei Hij tegen Mozes: ‘Zeg tegen hen: “De HEER heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En Hij heeft gezegd: ‘Zo wil Ik voor altijd heten, met die naam wil Ik worden aangeroepen door alle komende generaties.’”

Exodus 3:1-15NBV21Open in de Bijbel

Na de schepping van de wereld bleef het niet zo goed als God het gemaakt had. Hij begint daarom opnieuw met de familie van een oude man: Abraham. God belooft hun het land Kanaän, maar na veel omzwervingen komen zijn nakomelingen in het land Egypte terecht en moeten ze daar als slaven werken. God ziet het lijden van de mensen en hoort hun geschreeuw, en Hij wil er iets aan doen. Daarvoor wil Hij Mozes inzetten. Midden in een brandende struik ontmoet Mozes de God van zijn voorouders. God vraagt hem mee te doen aan zijn reddingsactie. Maar Mozes aarzelt. Wie is deze God, die daar vanuit een struik tegen hem praat?

Daarom maakt God zijn naam bekend: JHWH, vier Hebreeuwse medeklinkers die horen bij het werkwoord ‘zijn’. Je kunt ze vertalen met ‘Ik ben die Ik ben’, ‘Ik zal er zijn’ of gewoon ‘Ik ben’. Dit is meer dan alleen een naam. Deze naam is een belofte. Hij is de God die zich aan mensen verbindt en met hen mee blijft gaan.

Gods naam wordt in de Bijbel meestal weergegeven met ‘HEER’. Dat komt doordat joden Gods heilige naam uit eerbied niet uitspraken. In plaats daarvan gebruikten ze het woord Adonai, wat ‘Heer’ betekent. Als teken daarvan werden de klinkers van adonai aan de medeklinkers JHWH toegevoegd. Daarom zie je in vertalingen vaak ‘HEER’ staan. Maar God wil niet (alleen) als ‘Heer’ worden gekend, maar vooral als degene die bij ons is en altijd zal zijn. Hij gaat mee.

Wat vind jij van Gods naam?
Hoe spreek jij God het liefst aan?

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.39.1
Volg ons