1Job zette zijn betoog voort:
2‘Ja! God heeft mij mijn recht onthouden,
de Ontzagwekkende heeft mij diep verbitterd.
3Zolang het leven in mij ademt,
zolang Gods geest mij nog doortrekt,
4zullen mijn lippen geen onwaarheid spreken,
zal geen leugen aan mijn tong ontsnappen.
5Het laatst van al zal ik jullie gelijk erkennen,
tot aan mijn dood houd ik mijn onschuld staande.
6Ik blijf bij mijn rechtschapenheid, tot het einde toe,
over mijn leven heb ik mijzelf niets te verwijten.
7Laat men mijn vijand een goddeloze noemen,
mijn tegenstander als boosdoener beschouwen.
8Waarop kan de misdadiger hopen,
wanneer God zijn levensdraad afsnijdt
en hem de stilte van de dood oplegt?
9Zal God zijn angstkreet horen
als hij door rampspoed wordt getroffen?
10Kan hij zich toevertrouwen aan de Ontzagwekkende,
kan hij zijn hulp inroepen wanneer hij maar wil?