Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 7 | Maria en Elisabet

Bijbeltekst(en)

Maria en Elisabet

39Kort daarop reisde Maria in grote haast naar het bergland, naar een stad in Juda, 40waar ze het huis van Zacharias binnenging en Elisabet begroette. 41Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; ze werd vervuld van de heilige Geest 42en riep luid: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot! 43Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? 44Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. 45Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’

46Maria zei:

‘Mijn ziel prijst en looft de Heer,

47mijn hart juicht om God, mijn redder:

48Hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.

Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen,

49ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan,

heilig is zijn naam.

50Barmhartig is Hij, van geslacht op geslacht,

voor al wie Hem vereert.

51Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm

en drijft uiteen wie zich verheven wanen,

52heersers stoot Hij van hun troon

en wie gering is geeft Hij aanzien.

53Wie honger heeft overlaadt Hij met gaven,

maar rijken stuurt Hij weg met lege handen.

54-55Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar,

zoals Hij aan onze voorouders heeft beloofd:

Hij herinnert zich zijn barmhartigheid

jegens Abraham en zijn nageslacht,

tot in eeuwigheid.’

56Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar, en ging toen terug naar huis.

Lucas 1:39-56NBV21Open in de Bijbel

Deze perikoop biedt een van de intiemste scènes uit het begin van het Lucas-evangelie. De tekst verbindt de levensverhalen van Elisabet en Maria met elkaar en staat bol van de verwijzingen naar de Schriften van Israël. Twee vrouwen staan centraal in deze verzen, terwijl ze beiden naar de God van Israël verwijzen als de bron van hun geluk en het welzijn van hun volk, Israël.

In haar loflied bezingt Maria eerst haar eigen ervaringen met God (vers 46-49), daarna schakelt ze over naar een breder perspectief: wat haar aan goeds overkomen is, gebeurt in het groot aan iedereen die gering is, of aan elk volk dat in het nauw zit, met name Israël als Gods volk. Dit zegt Maria in het voetspoor van Hanna, de moeder van de grote profeet Samuel, op wiens loflied het hare gebaseerd lijkt (zie 1 Samuel 2:1-10). Tegelijkertijd echoot de zwangerschap van Elisabet – op hoge leeftijd, na lange, pijnlijke kinderloosheid, en met een profeet als kind – ook die van Hanna.

Naast het lied van Maria staat ook de groet van Elisabet aan Maria in een breder verband. Later in het leven van Jezus herhaalt een andere vrouw deze woorden bijna letterlijk: ‘Gelukkig de schoot die u gedragen heeft en de borsten waaraan u gedronken hebt!’ (11:27); Jezus antwoordt hierop: ‘Gelukkiger zijn zij die naar het woord van God luisteren en ernaar leven’ (11:28). Het ‘ja’ van Maria toen de engel Gods woord tot haar sprak, is zo een model voor iedereen die zich laat aanspreken door dit woord. Wat er in het klein gebeurt in het leven van Maria kan zo in het groot voor ieder mens gelden. Maria belichaamt op deze manier de omgang van God met de mens, met name de mens die in het nauw zit. Dit is een thema dat in het levensverhaal van Jezus nadrukkelijk terug zal komen.

Het ‘inzoomen’ op Maria’s bezoek aan Elisabet is een goed voorbeeld van de plaats die vrouwen in dit evangelie innemen. Hier treden ze beiden op als vervuld van de Geest en als profetisch begaafde mensen. Elisabet is de eerste die in Maria de ‘moeder van de Heer’ herkent (vers 43) en ze doet dit omdat ze van de Geest vervuld is. Daarmee is Elisabet – als zwangere vrouw, ergens in het Judese bergland! – de eerste die Jezus als Heer belijdt in het Lucas-evangelie; ‘Jezus is de Heer’ was de kern van het vroegchristelijke geloof (zie Handelingen 11:20).

Tegelijkertijd vloeit Maria’s loflied, aansluitend bij Hanna’s loflied, over van verbanden met de Schriften van Israël (vergelijk Psalm 89:14; Spreuken 3:34; Haggai 2:22; Sirach 10:14; 1 Samuel 2:8; Ezechiël 21:31; Psalm 107:8-9; 146:7; 34:10-11; Jesaja 41:8-9; Exodus 32:13; 2 Koningen 13:23; Psalm 100:5 – op volgorde van het verband met Maria’s lied) en wijst op verschillende manieren vooruit naar thema’s uit Jezus’ verkondiging, die in dezelfde lijn staat (zie bijvoorbeeld Lucas 6:21, 25). De kern van dit alles is dat wat Maria zelf zegt in vers 52: ‘Heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien.’

Maria zingt Gods lof omdat God barmhartig en rechtvaardig is in een onbarmhartige en onrechtvaardige wereld. In haar tijd had dat te maken met de situatie van het Romeinse Rijk. Hoe zou ze vandaag haar lied zingen? Op welke punten spreekt het je eigen manier van leven aan? Op welke manieren de bredere maatschappij?
In het Lucas-evangelie kijkt en luistert de lezer mee naar stemmen van mensen die publiek optreden, zoals Jezus en Johannes, en mensen die meer in de privésfeer hun zegje doen, zoals Elisabet en Maria. Allebei zijn belangrijke bronnen voor spiritualiteit. Welke bronnen spelen voor jouzelf een rol? Waarom?

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.10
Volg ons