Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 6 | Een zoon voor Maria en Jozef

Bijbeltekst(en)

Aankondiging van de geboorte van Jezus

26In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, 27naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Ze heette Maria en ze was nog maagd. 28Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’ 29Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had. 30Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. 31Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet Hem Jezus noemen. 32Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven. 33Tot in eeuwigheid zal Hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’

34Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog geen gemeenschap met een man.’ 35De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw overdekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God. 36Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap, 37want voor God is niets onmogelijk.’ 38Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ Daarna liet de engel haar weer alleen.

Lucas 1:26-38NBV21Open in de Bijbel

Na de verrassende woorden van Gabriël aan Zacharias, verschijnt deze engel in een nieuwe scène, met nieuwe hoofdpersonen. De groet van de engel, ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je’, is een bijzondere. Het is een groet met een samengebalde lading die ook herinnert aan anderen van wie gezegd werd dat de Heer met ze was, met name Jozef (Genesis 39:2-21), Samuel (1 Samuel 3:19) en David (1 Samuel 18:14 en 2 Samuel 5:10).

Veel veelbelovender kan een groet niet zijn. Maria zal zwanger worden en een zoon krijgen die ze Jezus moet noemen. Deze Jezus zal een groot man zijn, zoon van de Allerhoogste genoemd worden en van de Heer Davids troon ontvangen om daarop eeuwig koning te zijn. Alle nadruk ligt op deze manier op het kind van Maria, zijn identiteit en rol. Dee worden over Hem doen denken aan woorden waarmee in de Schrift de ideale koning aangeduid wordt (zie bijvoorbeeld Psalm 2). Bij Jezus komt dit alles samen en wordt het overtroffen: zijn heerschappij zal eeuwig zijn. Dit past goed bij de hoop van het volk Israël op een definitieve verlossing, zoals die in de eerste eeuw leefde.

Dat betekent ook dat met Jezus iemand aangekondigd wordt die haaks staat op de feitelijke politieke verhoudingen van zijn tijd. Zeker in combinatie met de aankondiging van een eeuwig koningschap op de troon van David, waar rond die tijd helemaal niets meer van over is. Meer dan een wonderlijke geboorte van Jezus staat hier zo een wonderlijke toezegging over de toekomst op het spel.

Uiteindelijk is Maria overtuigd en geeft een antwoord: ‘laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd’ (vers 38). Hieruit blijkt haar toewijding aan en vertrouwen op God en dit antwoord zal Maria als modelgelovige en ‘eerste van de heiligen’ karakteriseren.

De aankondiging van Jezus’ geboorte is vooral een aankondiging van Jezus’ betekenis, zowel wat zijn ‘eigenlijke oorsprong’ betreft als wat zijn toekomstige rol aangaat. Maria speelt in deze perikoop een belangrijke rol; hoe zou je haar optreden willen karakteriseren?
Welke associaties heb je zelf bij de manier waarop Gabriël Jezus’ identiteit en rol beschrijft? Welke verwachtingen schept de tekst in dit opzicht?

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.20.15
Volg ons