Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Zaterdag 30 maart

Bijbeltekst(en)

Lazarus uit de dood opgewekt

1Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zus Marta woonden – 2dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer. 3De zussen stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’ 4Toen Jezus dit hoorde zei Hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’ 5Jezus hield veel van Marta en haar zus, en van Lazarus. 6Maar toen Hij gehoord had dat Lazarus ziek was, bleef Hij toch nog twee dagen waar Hij was. 7Daarna zei Hij tegen zijn leerlingen: ‘Laten we teruggaan naar Judea.’ 8‘Maar rabbi,’ protesteerden de leerlingen, ‘de Joden wilden U stenigen, en nu wilt U daar toch weer naartoe?’ 9Jezus zei: ‘Telt een dag niet twaalf uren? Wie overdag loopt, struikelt niet, want hij ziet het licht van deze wereld, 10maar wie ’s nachts loopt, struikelt doordat hij geen licht heeft.’ 11Nadat Hij dat gezegd had zei Hij: ‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen, Ik ga hem wakker maken.’ 12De leerlingen zeiden: ‘Als hij slaapt, zal hij wel beter worden, Heer.’ 13Zij dachten dat Hij het over slapen had, terwijl Jezus bedoelde dat hij gestorven was. 14Toen zei Hij hun ronduit: ‘Lazarus is gestorven, 15en om jullie ben Ik blij dat Ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot geloof komen. Laten we dan nu naar hem toe gaan.’ 16Tomas (dat is Didymus, ‘tweeling’) zei tegen de anderen: ‘Laten ook wij maar gaan, om met Hem te sterven.’

17Toen Jezus daar aankwam, hoorde Hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. 18Betanië ligt dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie, 19en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was. 20Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze Hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. 21Marta zei tegen Jezus: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. 22Maar zelfs nu weet ik dat God U alles zal geven wat U vraagt.’ 23Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ 24‘Ja,’ zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’ 25Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, 26en ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ 27‘Ja, Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat U de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’

Johannes 11:1-27NBV21Open in de Bijbel

In dit gedeelte lezen we over drie goede vrienden van Jezus: Marta, Maria en Lazarus. Lazarus is ernstig ziek. Toch wacht Jezus twee dagen voordat hij naar hem toe gaat. In Johannes 11:15 wordt duidelijk waarom Jezus zo lang wacht. Als zijn leerlingen zien dat Jezus Lazarus weer levend maakt, helpt dat hen om te geloven dat Jezus de Zoon van God is. Jezus zegt zelfs dat Lazarus alleen maar slaapt. Met dit beeld probeert hij te vertellen dat de dood alleen maar een tijdelijke macht heeft over de mens. In het gesprek tussen Marta en Jezus lezen we weer een van de Ik ben-uitspraken. Jezus noemt zichzelf de opstanding en het leven. Iedereen die in hem gelooft, zal niet voor eeuwig sterven. Marta denkt eerst dat Jezus over een verre toekomst spreekt. Maar uit de rest van het verhaal blijkt dat ze niet zo lang hoeft te wachten.

De zussen reageren heel verschillend op Jezus’ komst. In wie herkent u zich het meest?

Opdracht

Wie is de afgelopen tijd een goede vriend voor u geweest? Laat dat aan hem of haar weten. Stuur bijvoorbeeld een kaartje.

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons