Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

1.5 Simson en Delila

Bijbeltekst(en)

Simson en Delila

1Op een keer was Simson in Gaza. Daar viel zijn oog op een hoer en hij ging bij haar naar binnen. 2De inwoners van Gaza kwamen erachter dat Simson in de stad was. De waakzaamheid in de stad werd verhoogd en bij de stadspoort hield een aantal mannen zich gereed om hem te overmeesteren; verder deden ze die nacht nog niets. ‘Zodra het licht wordt zullen we hem doden,’ zeiden ze. 3Maar Simson sliep niet langer dan tot middernacht, toen stond hij op. Bij de stadspoort gekomen greep hij de beide deurposten vast en rukte ze los met deuren en sluitbalk en al; hij nam het hele gevaarte op zijn schouders en droeg het weg, helemaal naar een van de bergtoppen tegenover Hebron.

4Enige tijd later begon Simson een verhouding met een vrouw uit het Sorekdal, een zekere Delila. 5De Filistijnse stadsvorsten gingen naar Delila toe en zeiden tegen haar: ‘Haal Simson over om u te vertellen waarin zijn geweldige kracht schuilt en wat we moeten doen om hem weerloos te maken. Dan kunnen we hem gevangennemen en krijgt u van ieder van ons elfhonderd sjekel zilver.’ 6Dus vroeg Delila aan Simson: ‘Vertel me eens, waarin schuilt toch je geweldige kracht? Hoe kan iemand je zo boeien dat je weerloos wordt?’ 7Simson antwoordde: ‘Als ik geboeid word met zeven verse, soepele pezen, dan ben ik even zwak als ieder ander.’ 8De Filistijnse vorsten stuurden Delila zeven verse, soepele pezen. Daarmee bond ze hem vast, 9terwijl in het vertrek ernaast een aantal Filistijnen klaarstond om hem te overmeesteren. Toen riep ze: ‘De Filistijnen komen je halen, Simson!’ Maar hij liet de pezen knappen als hennepvezels die te dicht bij het vuur komen. Het geheim van zijn kracht bleef in raadselen gehuld. 10‘Wat is dat nu?’ zei Delila tegen Simson. ‘Je hebt me voor de gek gehouden en leugens opgedist! Vertel me nu echt hoe je geboeid moet worden.’ 11Simson antwoordde: ‘Als ik word vastgebonden met nieuwe, ongebruikte touwen, dan ben ik even zwak als ieder ander.’ 12Toen nam Delila nieuwe touwen en bond hem daarmee vast. Weer riep ze: ‘De Filistijnen komen je halen, Simson!’ Maar terwijl de Filistijnen al klaarstonden om hem te overmeesteren, liet Simson de touwen als draadjes van zijn armen knappen. 13‘Je hebt me weer voor de gek gehouden en met leugens afgescheept!’ zei Delila. ‘Vertel me nu eindelijk hoe je geboeid moet worden.’ En Simson zei: ‘Als je mijn zeven haarvlechten inweeft in het weefgetouw en ze met een pin vastzet in de wand, dan ben ik even zwak als ieder ander.’ Zodra hij in slaap was gevallen, weefde Delila zijn zeven haarvlechten door de schering van haar weefgetouw 14en stak het weefsel vast met een pin. Toen riep ze: ‘De Filistijnen komen je halen, Simson!’ Simson werd wakker, rukte de pin los en trok zijn haarvlechten uit het weefgetouw, met schering en al. 15‘Hoe kun je zeggen dat je van me houdt?’ zei Delila. ‘Je vertrouwt me niet eens! Tot drie keer toe heb je me voor de gek gehouden in plaats van me te vertellen waarin je geweldige kracht schuilt.’ 16Zo bleef ze hem dag in dag uit met verwijten bestoken en drong net zo lang aan tot hij het niet meer uithield en bezweek. 17‘Nog nooit heeft een scheermes mijn hoofd aangeraakt,’ vertrouwde hij haar toe. ‘Dat is omdat ik al vanaf de moederschoot als nazireeër aan God gewijd ben. Als mijn hoofdhaar zou worden afgeschoren, zou mijn kracht me in de steek laten en zou ik net zo zwak zijn als ieder ander.’ 18Delila voelde dat hij ditmaal de waarheid had verteld en stuurde de Filistijnse vorsten de boodschap: ‘Deze keer moet u zelf komen, want nu heeft hij mij de waarheid toevertrouwd.’ Ze kwamen naar haar toe en brachten het geld voor haar mee. 19Zodra Simson in haar schoot in slaap was gevallen riep ze iemand binnen, en ze liet hem de zeven haarvlechten van Simson afscheren. Daardoor week zijn kracht en zo maakte zij hem weerloos. 20‘De Filistijnen zijn er om je te halen, Simson!’ riep ze. Simson werd wakker en wilde opspringen en zich losrukken, net als de vorige keren, want hij wist niet dat de HEER hem verlaten had. 21Maar de Filistijnen grepen hem, staken hem de ogen uit en voerden hem mee naar Gaza, geboeid met bronzen ketenen. In Gaza werd hij in de gevangenis gezet, waar hij meel moest malen. 22Maar zijn afgeschoren haar begon meteen weer aan te groeien.

23‘Onze god heeft onze vijand Simson aan ons uitgeleverd,’ verklaarden de Filistijnse vorsten, en daarom hielden ze een groot offerfeest ter ere van hun god Dagon. 24Toen het volk Simson zag, loofden ze hun god en juichten:

‘Onze god leverde hem aan ons uit:

onze vijand, die ons land verwoestte,

onze vijand, die zovelen van ons doodde.’

25Zo raakten ze in een steeds vrolijker stemming, en ten slotte stelde iemand voor: ‘Laten we Simson erbij halen, dan kunnen we lachen.’ Simson werd uit de gevangenis gehaald en moest om de feestgangers te vermaken tussen de zuilen van de tempel gaan staan. 26Hij vroeg aan de jongen die hem geleidde: ‘Zet me zo neer dat ik de zuilen kan aanraken waarop de tempel rust, dan kan ik daartegen steunen.’ 27De tempel was vol mensen, onder wie de Filistijnse stadsvorsten, en er waren ook nog zo’n drieduizend mannen en vrouwen die vanaf het dak naar Simson stonden te kijken en hem uitjouwden. 28Maar Simson riep de HEER om hulp en bad: ‘HEER, mijn God, denk toch aan mij! Geef me alstublieft nog eenmaal genoeg kracht, zodat ik me voor minstens één van mijn beide ogen op de Filistijnen kan wreken.’ 29Voorzichtig betastte hij de twee middelste steunpilaren van de tempel, zette zich met beide handen schrap 30en riep uit: ‘Mijn dood zal de dood zijn van de Filistijnen!’ Toen duwde hij uit alle macht. De tempel stortte in en alle aanwezigen, ook de stadsvorsten, werden bedolven. Zo maakte Simson bij zijn dood meer slachtoffers dan tijdens zijn hele leven.

31Zijn verwanten, zijn hele familie van vaderskant, kwamen naar Gaza om zijn lichaam op te halen. Ze namen het mee en begroeven het tussen Sora en Estaol, in het graf van zijn vader Manoach. Twintig jaar lang had hij Israël als rechter geleid.

Rechters 16NBV21Open in de Bijbel

Prent
Schilderijen hoor je niet. In deze kleine, grijsbruine voorstelling is echter het (niet hoorbare) geluid het hoofdonderwerp. Delila maant de beul met de schaar om geen geluid te maken door haar vinger voor haar getuite lippen te houden, een gebaar dat ook nu nog bekend is. Of ze vertrouwt de slaap van Simson niet, die spanningsloos op haar schoot hangt, óf ze wantrouwt de vermogens van de Filistijnse krijger om geluidloos dichterbij te sluipen. De beul nadert dan ook heel voorzichtig, zachtjes vooruit stappend. Zijn opengesperde ogen verraden zijn spanning en angst. Gelukkig is de vloer van steen en niet van krakend hout.
In 1628 schilderde Rembrandt nog een versie van deze scène in kleur (tegenwoordig bevindt deze zich in de Gemäldegalerie in Berlijn) waarin hij minder aandacht schenkt aan de nodige stilte. In dit werk is de vloer van hout en de beul stapt met ferme, vastberaden tred op zijn slachtoffer af.

Bijbel
De Filistijnen zijn wanhopig: hoe komen we van die Simson af? Simson heeft immers al veel Filistijnen gedood en ze zinnen daarom op wraak. Plots dient zich een mogelijkheid aan. Simson heeft sinds kort een verhouding met de Filistijnse Delila. De leiders van de Filistijnen gaan naar haar toe en vragen haar of zij het geheim van zijn geweldige kracht kan achterhalen. Als het Delila lukt om dit geheim te ontrafelen, staat er een flinke beloning tegenover: 1100 zilverstukken, oftewel 550 jaarsalarissen. Omgerekend naar onze tijd is dat bijna 20.000 miljoen euro.
Het mysterie van Simsons kracht is interessant. Hoewel hij een fysiek sterke man moet zijn geweest, komen we nergens in het verhaal van Simson een beschrijving tegen van hoe hij eruitziet. Slechts één ding komen we te weten: zijn lange haren zijn in zeven vlechten gevlochten. Na lang aandringen vertelt Simson ten slotte dit geheim aan Delila: ‘Als mijn hoofdhaar zou worden afgeschoren, zou mijn kracht me in de steek laten en zou ik net zo zwak zijn als ieder ander.’ Delila vertelt dit door aan de leiders en die komen vervolgens langs. Wanneer Simson in slaap is gevallen in de schoot van Delila roept ze een van de Filistijnen naar binnen. Het is niet zeker wat de rol is van deze Filistijn. In de tekst staat namelijk dat Delila het haar zelf afscheert, dus waarom zou die Filistijn er dan bij moeten zijn? Rembrandt lijkt in ieder geval te suggereren dat het de Filistijn is die het haar afscheert. Als Simson vervolgens wakker gemaakt wordt door Delila, beseft hij dat hij zijn kracht kwijt is. Hij wordt gevangengenomen door de Filistijnen, zijn ogen worden uitgestoken en hij wordt vastgebonden met bronzen kettingen.

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.6
Volg ons