Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

4/14 - Gekleed in licht

God heeft het licht als een mantel aangedaan

Bijbeltekst(en)

Psalmen 104

1Prijs de HEER, mijn ziel.

HEER, mijn God, hoe groot bent U.

Met glans en glorie bent U bekleed,

2in een mantel van licht gehuld.

U spant de hemel uit als een tentdoek

3en bouwt op de wateren uw hoge zalen,

U maakt van de wolken uw wagen

en beweegt u op de vleugels van de wind,

4U maakt van de winden uw boden,

van vlammend vuur uw dienaren.

5U hebt de aarde op pijlers vastgezet,

tot in eeuwigheid wankelt zij niet.

6De oerzee bedekte haar als een kleed,

tot boven de bergen stonden de wateren.

7Toen U dreigde, vluchtten zij weg,

toen uw donderstem klonk, stoven zij heen:

8naar hoog in de bergen, naar diep in de dalen,

naar de plaatsen die U had bepaald.

9U stelde een grens die zij niet overschrijden,

nooit weer zullen zij de aarde bedekken.

10U leidt het water van de bronnen door beken,

tussen de bergen beweegt het zich voort.

11Het drenkt alles wat leeft in het veld,

wilde ezels lessen er hun dorst.

12Daarboven wonen de vogels van de hemel,

uit het dichte groen klinkt hun gezang.

13U bevloeit de bergen vanuit uw hoge zalen,

door uw daden raakt de aarde verzadigd.

14Gras laat U groeien voor het vee

en gewassen die de mens moet verbouwen.

Zo zal hij brood winnen uit de aarde

15en wijn die het mensenhart verheugt,

geurige olie die het gelaat doet stralen,

ja brood dat het mensenhart versterkt.

16De bomen van de HEER zuigen zich vol,

de ceders van de Libanon, door Hemzelf geplant.

17De vogels bouwen daar hun nesten,

in de cipressen huizen ooievaars.

18De hoge bergen zijn voor de steenbokken,

in de kloven schuilen de klipdassen.

19U hebt de maan gemaakt voor de tijden,

de zon weet wanneer zij moet ondergaan.

20Als U het duister spreidt, valt de nacht,

en alles wat leeft in het woud gaat zich roeren.

21De jonge leeuwen gaan uit op roof,

brullend vragen zij God om voedsel.

22Bij zonsopgang trekken zij zich terug

en leggen zich neer in hun legers.

23De mensen gaan aan het werk

en arbeiden door tot de avond.

24Hoe talrijk zijn uw werken, HEER.

Alles hebt U met wijsheid gemaakt,

vol van uw schepselen is de aarde.

25Zie hoe wijd de zee zich uitstrekt.

Daar wemelt het, zonder tal,

van dieren, klein en groot.

26Daar bewegen de schepen zich voort,

daar gaat Leviatan, door U gemaakt om mee te spelen.

Psalmen 104:1-26NBV21Open in de Bijbel

Psalm 104 is een loflied op de schepping. God wordt hierin als grondlegger en onderhouder van de schepping geprezen. De schepping weerspiegelt Gods majesteit. De mens wordt opgeroepen de Schepper van hemel en aarde te loven en te prijzen. Terwijl Psalm 8 vooral naar de plek van de mens kijkt in het geheel van de schepping, beschrijft Psalm 104 vooral de kosmos en de natuur.

Vanaf vers 2 lezen we in beeldspraak dat God het heelal tot zijn woonplaats heeft gemaakt: Hij heeft het licht als een mantel aangedaan en de hemel als een tentdoek uitgespannen boven de aarde (vers 2). Zelfs iets ongrijpbaars als de wind en de wilde dieren zijn onderworpen aan de Schepper.

Ons wereldbeeld wordt veel meer bepaald door allerlei natuurwetenschappelijke inzichten dan dat in de tijd van de psalmdichter het geval was. Toch kunnen wij nog net zo goed onder de indruk raken van de natuur en er iets van God in terugzien.

Kun je, de volgende keer als je in de natuur bent, eens kijken welke elementen van Psalm 104 je herkent? Wat zou de dichter willen zeggen met het beeld dat God ‘het licht als mantel aandoet’?

 

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.41.0
Volg ons