9Al in Gibea gaf jij je over aan zonden, Israël,
en sindsdien heb je daarin volhard.
Zou dan iemand in Gibea worden ontzien
als de strijd tegen de boosdoeners uitbreekt?
10Ik heb besloten hen te straffen:
vreemde volken zullen tegen hen samenspannen
om hen vast te binden en hun bronnen leeg te drinken.
11Efraïm was een afgerichte jonge koe, die gewillig dorste.
Toen Ik haar fraaie hals zag, dacht Ik:
Ik ga Efraïm inspannen, Ik laat Juda ploegen, Jakob eggen.
12Zaai rechtvaardig! Oogst met liefde! Ontgin nieuw land!
Het is tijd om de HEER te smeken,
dat Hij jullie nadert met de regen van zijn goedheid.
13Maar jullie ploegden wetteloosheid
en oogstten onrechtvaardigheid;
jullie moesten de vrucht van leugens eten
omdat jullie op je eigen inspanning vertrouwden,
op de kracht van je vele soldaten.
14Daarom zal het krijgsgeweld tegen jullie losbreken,
al je vestingen zullen worden verwoest
zoals destijds Bet-Arbel werd verwoest door Salman:
moeders werden doodgeslagen, samen met hun kinderen.
15Dat heeft Betel jullie aangedaan
om jullie eigen diepe verdorvenheid.
Bij het aanbreken van de morgen
komt Israëls koning voorgoed ten val.