25Heb ik niet gehuild om wie in nood verkeerde?
Had ik geen medelijden met de behoeftige?
26Ik hoopte op het goede, maar het kwade kwam,
het licht verwachtte ik, maar de duisternis brak aan.
27Heel mijn binnenste is in beroering, ik ken geen rust;
ik zie slechts dagen van ellende naderen.
28In het zwart gehuld dool ik rond, van licht verstoken,
ik sta op in de vergadering en roep om hulp.
29Een broeder van de jakhals ben ik geworden,
een metgezel van de struisvogels.
30Mijn huid is verschroeid en schilfert,
koorts verteert mijn gebeente.
31Mijn lier is geworden tot rouwinstrument,
mijn fluit tot de stem van de treurenden.