13De Israƫlieten lieten de Heer dus in de steek, en gingen de afgoden BaƤl en Astarte vereren. 14De Heer werd zo woedend, dat hij rovers naar Israƫl stuurde. Die roofden het hele land leeg. Hij stuurde ook vijanden, die sterker waren dan de Israƫlieten.
15De Israƫlieten probeerden steeds weer om hun vijanden te verslaan. Maar de Heer zorgde ervoor dat ze elk gevecht verloren, zoals hij eerder al gezegd had. Hij had ze ervoor gewaarschuwd. Het ging heel slecht met de Israƫlieten.
De Heer geeft het volk rechters
16Toen gaf de Heer andere leiders aan de Israƫlieten, om hen te helpen tegen hun vijanden. Die leiders werden rechters genoemd. 17Maar de Israƫlieten luisterden ook niet naar die rechters. Ze bleven afgoden vereren en ervoor knielen. Hun voorouders hadden wel naar de Heer geluisterd, en hadden geleefd volgens zijn regels. Maar zijzelf deden dat niet.
18Steeds als de Israƫlieten door vijanden onderdrukt werden, kreeg de Heer medelijden. Dan stuurde hij een rechter om hen te helpen. En zolang die rechter leefde, hielp de Heer hem om de vijanden te verslaan. 19Maar als de rechter gestorven was, dan gingen de Israƫlieten weer slechte dingen doen. Zelfs nog slechtere dingen dan daarvoor. Dan gingen ze weer afgoden dienen en vereren. Ze hielden maar niet op met hun slechte gedrag.
De Heer wil het volk niet meer helpen
20Toen werd de Heer woedend. Hij zei: āDe IsraĆ«lieten houden zich niet aan de afspraken die ik met hun voorouders gemaakt heb. Ze luisteren niet naar mij. 21-23Daarom zal ik hen niet meer helpen om hun vijanden te verslaan. Ik zal de andere volken die nog in het land wonen, niet wegjagen! Dan zal ik weten of de IsraĆ«lieten mij trouw zullen blijven, net zoals hun voorouders.ā
In de tijd van Jozua had de Heer die andere volken in het land laten wonen. De Heer had hen niet weggejaagd, en er ook niet voor gezorgd dat Jozua hen kon verslaan.