God heeft zijn volk geholpen
8God, toen u uw volk hielp in de strijd,
en hen leidde door de woestijn,
9toen beefde de aarde,
en uit de hemel stroomde de regen neer.
Want u was daar, God,
u, die heerst vanaf de berg Sinai.
Want u was daar, God,
u, de God van Israël.
10God, u liet de regen stromen,
zo maakte u dor land weer groen.
11U liet uw volk daar wonen, God.
U gaf het land aan mensen zonder macht.
Zo goed bent u!
De Heer heeft overwonnen
12-13Toen de Heer een bevel gaf,
vluchtten de koningen van Kanaän,
ze vluchtten haastig weg met hun legers.
Alle vrouwen vertelden dat nieuws aan elkaar.
En ze verdeelden de spullen
die de legers achtergelaten hadden.
14-15Maar alle mannen sliepen rustig door.
De machtige God heeft rijke koningen verslagen.
Die koningen waren machtig en sterk,
maar de Heer heeft hen overwonnen.
De Heer woont in zijn heilige tempel
16-17Bergen van Basan,
grote, hoge bergen,
waarom zijn jullie jaloers?
Waarom zijn jullie jaloers
op de berg die God heeft uitgekozen?
Op die berg zal hij voor altijd wonen.
18De Heer ging van de berg Sinai
naar zijn heilige tempel.
Hij had veel strijdwagens om zich heen,
duizenden, ja tienduizenden!
19De Heer, onze God, ging naar zijn heilige tempel.
Hij nam gevangenen met zich mee,
en geschenken van zijn vijanden.
Iedereen gaat naar de tempel van God
20Laat iedereen de Heer danken, elke dag.
Want hij helpt ons, hij redt ons.
21Onze God is een God die mensen bevrijdt.
God, de Heer, redt ons van de dood.