16Na die zeven dagen sprak de Heer opnieuw tegen mij. Hij zei: 17‘Mensenkind, ik wil dat jij het volk van Israël waarschuwt. Steeds als ik kwaad op hen ben, moet jij hen waarschuwen.
18Stel dat ik tegen een misdadiger zeg dat hij zal sterven. Dan wil ik toch dat jij hem waarschuwt. Zeg tegen hem dat hij moet ophouden met zijn slechte gedrag. Als je hem niet waarschuwt, dan zal niet alleen de misdadiger sterven, maar jijzelf ook. Die ander zal sterven omdat hij verkeerde dingen gedaan heeft. En jij zult sterven omdat je hem niet gewaarschuwd hebt. 19Maar als je hem wel waarschuwt, dan zul jij zelf in leven blijven. Ook als die ander niet naar jou luistert en daarom sterft.
20Ook als een goed mens ophoudt met goed te leven, moet jij hem waarschuwen. Stel dat hij verschrikkelijke dingen gaat doen, en je waarschuwt hem niet. Dan zal ik ervoor zorgen dat hij sterft. De goede dingen die hij vroeger gedaan heeft, kunnen hem niet redden van de straf. Maar ook jij zult dan sterven, omdat je hem niet gewaarschuwd hebt.
21Maar stel dat je hem wel waarschuwt, en stel dat hij daardoor ophoudt met zijn verkeerde gedrag. Dan zal hij in leven blijven. Want hij heeft naar jouw waarschuwing geluisterd. En jouw eigen leven zal dan ook gered worden.’