1-2De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, luister! Jij bent mijn dienaar. Ik heb jou uitgekozen. Ik heb je gemaakt. Ik heb je het leven gegeven, nog voordat je geboren was. Ik help je altijd. Want jij bent mijn dienaar, jou heb ik uitgekozen.
Israël, je hoeft niet bang te zijn. 3Want dit ga ik doen: ik zal weer rivieren laten stromen door het droge land. En zoals ik water geef aan het droge land, zo zal ik mijn geest geven aan je nakomelingen. Ik zal hun een gelukkig leven geven. 4Door mijn geest zal het goed gaan met je nakomelingen. Net zoals planten goed groeien als het regent. En net zoals bomen goed groeien als ze langs het water staan.
5Veel mensen zullen zeggen: ‘Ik hoor bij de Heer.’ Of: ‘Ik ben van de Heer.’ Iedereen wil bij het volk van Israël horen.’
Er zijn geen andere goden
Er is niemand zoals de Heer
6De machtige Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik ben jullie koning. Ik heb jullie bevrijd. Ik ben de eerste en ik ben de laatste. Er is geen andere god.
7Is er een god zoals ik? Laat hij dat dan bewijzen. Kan hij vertellen wat er gebeurd is, vanaf de schepping tot nu? En kan hij ook zeggen wat er in de toekomst gaat gebeuren?
8Volk van Israël, jullie hoeven niet bang te zijn. Want er is geen andere god! Ik ken geen god die zo machtig en trouw is als ik. Ik ben de enige. Dat heb ik jullie al vanaf het begin gezegd, ik heb het jullie steeds verteld. Jullie hebben het zelf gehoord.’