22De Heer zegt: ‘Volk van Israël, jullie hebben niet tot mij gebeden! Jullie hebben helemaal geen moeite voor mij gedaan. 23-24Jullie hebben wel schapen geofferd, maar niet aan mij. Jullie hebben wel dure kruiden gekocht, maar niet voor mij. Jullie hebben je beste dieren niet aan mij geofferd.
Trouwens, ik heb jullie helemaal niet gevraagd om offers te brengen of wierook te branden. Ik heb het jullie dus niet moeilijk gemaakt. Maar jullie hebben het mij wel moeilijk gemaakt. Want jullie hebben veel verkeerde dingen gedaan!’
De Heer zal zijn volk toch vergeven
25De Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik zal jullie zonden vergeven en vergeten. Maar dat doe ik niet voor jullie. Nee, ik doe het alleen voor mijzelf.
26Als jullie vinden dat ik iets fout gedaan heb, bewijs dat dan maar! We zullen zien wie er gelijk heeft. 27Jullie voorvader Jakob had al gezondigd. En jullie leiders hebben zich steeds tegen mij verzet. 28Daarom is Israël verwoest. Daarom mogen de priesters niet langer in mijn tempel werken. En daarom lachen de vijanden jullie uit.’