Verbazing en ongeloof
22Toen brachten de mensen een man bij Jezus die blind was en ook niet kon praten. Dat kwam doordat hij een kwade geest in zich had. Jezus maakte de man beter. Nu kon de man zien en praten. 23Alle mensen waren stomverbaasd. Ze zeiden: ‘Is Jezus soms de Zoon van David?’
24Maar toen de farizeeën hoorden wat er gebeurd was, zeiden ze: ‘Jezus kan die kwade geesten alleen maar wegjagen omdat Satan hem helpt. Want Satan is de leider van de kwade geesten.’
Jezus krijgt geen hulp van Satan
25Jezus wist hoe de farizeeën over hem dachten. Daarom zei hij tegen hen: ‘Een land dat oorlog voert tegen zichzelf, wordt leeg en verlaten. En een stad of een familie waar de mensen ruzie hebben, zal niet blijven bestaan. 26Met Satan is het net zo. Als Satan kwade geesten wegjaagt, dan vecht hij tegen zichzelf. En dan vernietigt hij zijn eigen macht.
27Jullie beweren dat ik kwade geesten wegjaag met hulp van Satan. Maar jullie eigen leerlingen jagen ook kwade geesten weg. Dat doen ze toch ook niet met hulp van Satan? Zij zijn dus het bewijs dat jullie ongelijk hebben.
28Ik jaag de kwade geesten weg met hulp van de Geest van God. Daaraan kunnen jullie zien dat Gods nieuwe wereld gekomen is.
29Het huis van een sterke man kun je niet zomaar leegroven. Je moet eerst die man vastbinden. Pas dan kun je zijn huis leeghalen.
30Iedereen die niet voor mij kiest, is mijn vijand. Als je mij niet helpt, dan help je Satan. Ik breng mensen bij God, maar Satan houdt mensen juist bij God weg.’
Beledig de heilige Geest niet
31Jezus zei: ‘Luister naar mijn woorden: God wil alles vergeven wat mensen verkeerd doen. Zelfs als ze God beledigen. Maar iemand die de heilige Geest beledigt, krijgt geen vergeving.
32Als iemand slechte dingen zegt over de Mensenzoon, kan hij vergeving krijgen. Maar als iemand slechte dingen zegt over de heilige Geest, krijgt hij geen vergeving. Niet nu in deze wereld, en ook niet straks in Gods nieuwe wereld.’
De farizeeën zijn slecht
33Jezus zei verder tegen de farizeeën: ‘Een goede boom geeft goede vruchten, een slechte boom geeft slechte vruchten. Aan de vruchten kun je dus zien of een boom goed of slecht is.
34Jullie zijn een stelletje slangen! Uit jullie mond kan niets goeds komen, want jullie zijn slecht. Aan de dingen die mensen zeggen, kun je zien hoe ze van binnen zijn. 35Een goed mens zegt goede dingen, omdat hij van binnen goed is. En een slecht mens zegt slechte dingen, omdat hij van binnen slecht is.
36Luister naar mijn woorden: God zal rechtspreken over de wereld. En dan bekijkt hij of mensen verkeerde dingen gezegd hebben. 37Want de woorden die je spreekt, bepalen of God je een goed of een slecht mens vindt.’