De Israëlieten beledigden God
24Het volk wilde niet naar het mooie land Kanaän,
ze vertrouwden niet op Gods belofte.
25Boos zaten ze in hun tenten,
ze luisterden niet naar de Heer.
26Toen besloot God: Zo zeker als ik leef,
ik zal hen doden in de woestijn.
27Hun kinderen zal ik wegsturen
naar andere plekken op aarde.
28De Israëlieten gingen de god Baäl vereren.
Ze aten van de offers voor de doden.
29Zo beledigden ze God.
Daarom kregen ze een dodelijke ziekte.
30Maar Pinechas kwam hen helpen,
en de ziekte verdween.
31Daarom was Pinechas een goed mens.
En dat weet iedereen, voor altijd.
32-33Door in de woestijn om water te vragen,
verzette het volk zich opnieuw.
Ze maakten God weer boos.
Toen sprak Mozes tegen God
zonder eerst goed na te denken,
en God strafte hem daarvoor.
Ook in Kanaän was het volk ontrouw
34Toen de Israëlieten in Kanaän kwamen,
moesten ze van God de volken doden die daar woonden.
Maar dat deden ze niet.
35Ze trouwden met mensen van die volken,
en ze gingen verkeerd leven, net zoals zij.
36Ze knielden voor beelden van goden,
maar die brachten alleen maar ongeluk.
37-38Ze vermoordden onschuldige mensen,
zelfs hun eigen kinderen.
Ze offerden hen aan de goden van Kanaän.
Ze offerden hun zonen en dochters
om hulp te krijgen van geesten en goden.
Daardoor was het land niet langer heilig.
39Het volk was niet meer Gods heilige volk,
ze waren God niet meer trouw.
40De Heer werd kwaad op zijn volk,
zijn liefste bezit.
Hij begon hen te haten.
41Hij maakte andere volken sterker,
de tegenstanders werden de baas.
42De vijanden kregen de macht
en ze onderdrukten de Israëlieten.
De Heer bleef trouw
43Heel vaak bevrijdde de Heer zijn volk,
maar steeds weer maakten ze slechte plannen.
Het ging steeds slechter met hen,
en dat was hun eigen schuld.
44Maar de Heer zag dat ze het moeilijk hadden,
steeds weer hoorde hij hun geklaag.
45Hij dacht terug aan wat hij beloofd had,
en hij kreeg medelijden met zijn volk.
Zo veel hield hij van hen.
46Steeds weer zorgde hij ervoor
dat ook hun onderdrukkers medelijden met hen kregen.
Dank de Heer
47Heer, onze God, bevrijd ons!
Breng ons terug naar ons eigen land,
overal vandaan.
Dan zullen wij u danken,
u, onze heilige God.
Het zal een feest zijn om u te kunnen danken.
48Dank aan de Heer, de God van Israël,
nu en altijd.
Heel het volk moet zeggen: ‘Amen!’
Halleluja!