Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 88 / Num. 5-6, Ps. 33

Bijbeltekst(en)

Voorschriften bij onreinheid en ontrouw

1De HEER zei tegen Mozes: 2‘Geef de Israëlieten opdracht om iedereen die aan een huid- of geslachtsziekte lijdt en iedereen die onrein is doordat hij met een lijk in aanraking is geweest, het kamp uit te sturen. 3Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen. Stuur hen weg, want anders verontreinigen ze het kamp, waarin Ik te midden van het volk woon.’ 4De Israëlieten deden wat de HEER tegen Mozes gezegd had en stuurden hen het kamp uit.

5De HEER zei tegen Mozes: 6‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer een man of vrouw een ander iets misdaan heeft en daarmee ontrouw is geworden aan de HEER en schuld op zich geladen heeft, 7moet zo iemand openlijk uitspreken wat hij heeft misdaan en een volledige schadevergoeding, vermeerderd met een vijfde, betalen aan degene die hij heeft benadeeld. 8Als deze gestorven is en er is geen familielid aan wie de schuld vergoed kan worden, dan valt het verschuldigde toe aan de HEER en komt het de priester ten goede, net als de ram waarmee hij de verzoeningsrite voor de schuldige voltrekt. 9Ook krijgt de priester van de heilige gaven van de Israëlieten het deel dat ze aan hem afstaan. 10De heilige gaven blijven het eigendom van wie ze aanbiedt, maar geeft iemand er iets van aan de priester, dan is dat voor hem.”’

11De HEER zei tegen Mozes: 12‘Zeg tegen de Israëlieten: “Stel dat iemands vrouw hem ontrouw is geweest door overspel te plegen, 13dat een ander gemeenschap met haar heeft gehad; haar man weet er niet van, het is niet aan het licht gekomen dat ze zich verontreinigd heeft, want ze is niet betrapt en niemand getuigt tegen haar. 14Wanneer zo’n man zijn vrouw, die zich verontreinigd heeft, in een vlaag van jaloezie wantrouwt, of wanneer iemand uit jaloezie zijn vrouw wantrouwt zonder dat ze zich verontreinigd heeft, 15dan moet die man met zijn vrouw naar de priester gaan en als offergave voor haar een tiende efa gerstemeel meenemen. Hij mag er geen olijfolie over gieten en er geen wierook op leggen, want het is een graanoffer dat uit jaloezie voortkomt, een graanoffer dat een zonde in herinnering brengt. 16De priester laat de vrouw naar voren komen en brengt haar voor de HEER. 17Hij vult een kom met heilig water en vermengt dat met stof dat op de vloer van de tabernakel ligt. 18Nadat de priester de vrouw voor de HEER heeft gebracht, maakt hij haar hoofdhaar los en legt hij het herinneringsoffer, het graanoffer van de jaloezie, op haar handpalmen. Zelf heeft hij het bittere, vloekbrengende water in zijn hand. 19Dan spreekt de priester deze bezwering over de vrouw uit: ‘Als niemand anders dan uw eigen man gemeenschap met u heeft gehad, als u zich als gehuwde vrouw niet verontreinigd hebt door overspel te plegen, dan zal dit bittere, vloekbrengende water u niet deren. 20Maar als u zich als gehuwde vrouw verontreinigd hebt door overspel te plegen, als een ander dan uw eigen man gemeenschap met u heeft gehad, dan’ 21– zo spreekt de priester de bezwering en vervloeking over de vrouw uit – ‘zal de HEER maken dat uw naam genoemd wordt in de vervloekingen die er bij uw volk worden uitgesproken: Hij zal uw schoot laten verschrompelen en uw buik laten opzwellen. 22Wanneer dit vloekbrengende water in uw ingewanden komt, zwelt uw buik op en verschrompelt uw schoot.’ De vrouw zegt hierop: ‘Amen, amen.’ 23Dan schrijft de priester deze vervloeking op een blad en lost hij het geschrevene op in het bittere water. 24Dat bittere, vloekbrengende water moet hij de vrouw te drinken geven, zodat het in haar lichaam komt en zijn bittere uitwerking kan hebben. 25De priester neemt het graanoffer van de jaloezie van haar handen, biedt het de HEER als offergave aan en brengt het naar het altaar. 26Hij neemt er een handvol van af en verbrandt dat als teken van de hele offergave op het altaar. Vervolgens geeft hij de vrouw het water te drinken. 27Als ze zich verontreinigd heeft en ontrouw is geweest aan haar man, zal het vloekbrengende water dat hij haar te drinken geeft in haar lichaam zijn bittere uitwerking hebben. Haar buik zal opzwellen en haar schoot verschrompelen, en de naam van die vrouw zal bij haar volk genoemd worden wanneer men iemand vervloekt. 28Maar als de vrouw zich niet verontreinigd heeft, als ze rein is, blijft ze ongedeerd en kan ze nog zwanger worden.

29Dit is het voorschrift voor gevallen van jaloezie, als een gehuwde vrouw zich verontreinigt door overspel te plegen, 30of als een man zijn vrouw in een vlaag van jaloezie wantrouwt. De man moet de vrouw voor de HEER brengen en de priester moet dit voorschrift nauwgezet volgen. 31De man gaat vrijuit, de vrouw moet boeten voor wat ze misdaan heeft.”’

Voorschriften voor nazireeërs

1De HEER zei tegen Mozes: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer een man of vrouw een bijzondere gelofte aflegt om zich als nazireeër aan de HEER te wijden, 3moet zo iemand zich onthouden van wijn en bier. Hij mag ook geen verzuurde wijn drinken, geen andere verzuurde drank en geen druivensap, en hij mag geen verse of gedroogde druiven eten. 4Zolang zijn nazireeërschap duurt, mag hij niets eten dat van de wijnstok afkomstig is, zelfs niet iets dat van de pitten en velletjes gemaakt wordt. 5Ook mag, zolang zijn nazireeërgelofte geldt, zijn hoofd niet door een scheermes worden aangeraakt; gedurende de hele periode dat hij aan de HEER gewijd is, is hij heilig en moet hij zijn hoofdhaar laten groeien. 6En zolang hij aan de HEER gewijd is, mag hij niet in de buurt van een dode komen. 7Zelfs als zijn vader of moeder of zijn broer of zus sterft, mag hij zich niet verontreinigen door bij hen te komen, want op zijn hoofd draagt hij het teken dat hij aan God gewijd is. 8Zolang zijn nazireeërschap duurt, is hij aan de HEER gewijd. 9Maar wanneer zijn hoofdhaar verontreinigd wordt doordat er geheel onverwachts in zijn nabijheid iemand sterft, moet hij zich op de zevende dag reinigen door zijn hoofdhaar af te scheren. 10Op de achtste dag moet hij de priester, bij de ingang van de ontmoetingstent, twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven brengen. 11De priester moet dan de ene duif als reinigingsoffer opdragen en de andere als brandoffer en zo verzoening voor hem bewerken, omdat hij schuld op zich heeft geladen door in de nabijheid van de dode te komen. Diezelfde dag moet hij zijn hoofd weer heiligen, 12zich opnieuw voor eenzelfde tijdsduur als nazireeër aan de HEER wijden, en een eenjarige ram als hersteloffer aanbieden. De vorige periode telt niet meer, vanwege de ontwijding van zijn nazireeërschap.

13Wanneer de periode van het nazireeërschap voorbij is, gelden de volgende voorschriften: De nazireeër moet naar de ingang van de ontmoetingstent gebracht worden, 14en daar moet hij de HEER een offergave aanbieden: een eenjarige ram zonder enig gebrek als brandoffer, een eenjarige ooi zonder enig gebrek als reinigingsoffer en een volwassen ram zonder enig gebrek als vredeoffer, 15verder een mand met ongedesemd tarwebrood, dikke broden, met olijfolie bereid, en dunne ongedesemde broden, met olijfolie bestreken, en de bijbehorende graan- en wijnoffers. 16De priester biedt dit aan de HEER aan en draagt het reinigingsoffer en het brandoffer voor de nazireeër op. 17De volwassen ram bereidt hij als vredeoffer ter ere van de HEER en hij biedt daarbij de mand met ongedesemd brood en het bijbehorende graanoffer en wijnoffer aan. 18De nazireeër scheert voor de ingang van de ontmoetingstent zijn hoofdhaar af, het teken van zijn nazireeërschap, en gooit dat in het vuur onder het vredeoffer. 19Nadat de nazireeër zijn haar afgeschoren heeft, neemt de priester een gekookt schouderstuk van de ram en een dik en een dun ongedesemd brood uit de mand, en legt dit alles op de handpalmen van de nazireeër. 20De priester heft het ten overstaan van de HEER omhoog. Het is heilig en bestemd voor de priester, evenals het borststuk en de rechterachterbout. Daarna mag de nazireeër weer wijn drinken.

21Dit zijn de voorschriften voor de nazireeër, die op grond van zijn wijding de HEER een offergave verschuldigd is. Volgens de voorschriften met betrekking tot het nazireeërschap moet hij de belofte die hij gedaan heeft nauwkeurig nakomen. Als hij het zich veroorloven kan, mag hij nog meer geven.”’

De priesterzegen

22De HEER zei tegen Mozes: 23‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat zij de Israëlieten met deze woorden moeten zegenen:

24“Moge de HEER u zegenen en u beschermen,

25moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn,

26moge de HEER u zijn gelaat toewenden en u vrede geven.”

27Wanneer zij mijn naam over het volk uitspreken, zal Ik de Israëlieten zegenen.’

Numeri 5-6NBV21Open in de Bijbel

1Juich, rechtvaardigen, voor de HEER,

de oprechten moeten Hem loven.

2Huldig de HEER bij de klank van de lier,

speel voor Hem op de tiensnarige harp.

3Zing voor Hem een nieuw lied,

speel en zing met overgave.

4Oprecht is het woord van de HEER,

alles wat Hij doet is betrouwbaar.

5Hij heeft recht en gerechtigheid lief,

van de trouw van de HEER is de aarde vervuld.

6Door het woord van de HEER is de hemel gemaakt,

door de adem van zijn mond het leger der sterren.

7Hij verzamelt het zeewater en sluit het in,

Hij bergt de oceanen in schatkamers weg.

8Laat heel de aarde vrezen voor de HEER

en wie de wereld bewonen Hem duchten,

9want Hij sprak en het was er,

Hij gebood en daar stond het.

10De HEER doet de plannen van volken teniet,

Hij verijdelt wat naties beramen,

11maar het plan van de HEER houdt eeuwig stand,

wat Hij beraamt, blijft van geslacht tot geslacht.

12Gelukkig het volk dat de HEER als zijn God heeft,

de natie die Hij verkoos als de zijne.

13Uit de hemel ziet de HEER omlaag

en slaat Hij de sterveling gade.

14Vanaf zijn troon houdt Hij het oog

op allen die de aarde bewonen.

15Hij die de harten van allen vormt,

Hij doorziet al hun daden.

16Koningen winnen niet door een machtig leger,

brute kracht redt krijgsheren niet.

17Van geen nut zijn paarden voor de overwinning,

hoe sterk ook, ze bieden geen uitkomst.

18Het oog van de HEER rust op wie Hem vrezen

en hopen op zijn trouw:

19Hij zal hen redden in doodsgevaar,

bij hongersnood zal Hij hun leven sparen.

20Wij wachten vol verlangen op de HEER,

Hij is onze hulp en ons schild.

21Ja, om Hem is ons hart verblijd,

op zijn heilige naam vertrouwen wij.

22Schenk ons uw trouw, HEER,

op U is al onze hoop gevestigd.

Psalmen 33NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons