Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 69 / Lev. 9-10, Ps. 119:57-64

Bijbeltekst(en)

Instelling van de offerdienst

1Op de achtste dag riep Mozes Aäron en zijn zonen bij zich, en ook de oudsten van Israël. 2Hij zei tegen Aäron: ‘Haal een jonge stier voor het reinigingsoffer en een jonge ram voor het brandoffer, dieren zonder enig gebrek, en breng ze naar de ontmoetingstent. 3Zeg tegen de Israëlieten: “Haal een bok voor het reinigingsoffer, en voor het brandoffer een eenjarige stier en een eenjarige ram zonder enig gebrek. 4Haal een stier en een ram om ze als vredeoffer aan de HEER aan te bieden, en ook een met olijfolie bereid graanoffer. Want vandaag verschijnt de HEER aan u.”’ 5Ze deden wat Mozes bevolen had en brachten de offers naar de ontmoetingstent. Daarna stelde de hele gemeenschap zich voor de HEER op. 6Mozes zei: ‘Dit is wat de HEER u opgedragen heeft om te doen opdat zijn majesteit aan u zal verschijnen.’

7Tegen Aäron zei Mozes: ‘Neem je plaats bij het altaar in en draag het reinigingsoffer en het brandoffer op om voor jezelf en het volk verzoening te bewerken. Draag daarna de offers van het volk op om voor hen verzoening te bewerken, zoals de HEER bevolen heeft.’ 8Aäron ging naar het altaar en slachtte de jonge stier die bestemd was voor zijn eigen reinigingsoffer. 9Zijn zonen reikten hem het bloed aan. Hij doopte zijn vinger in het bloed en streek het aan de hoorns van het altaar. De rest van het bloed goot hij aan de voet van het altaar uit. 10Het vet, de nieren en de kleinste lob van de lever, afkomstig van het reinigingsoffer, verbrandde hij op het altaar, zoals de HEER Mozes had opgedragen. 11Het vlees en de huid liet hij buiten het kamp verbranden. 12Daarna slachtte hij de ram voor het brandoffer. Zijn zonen reikten hem het bloed aan, en hij goot het tegen de zijkanten van het altaar. 13Ze reikten hem ook de stukken vlees en de kop van het offerdier aan, en hij verbrandde ze op het altaar. 14Hij waste de ingewanden en de poten en verbrandde die samen met de rest van het offerdier. 15Daarna liet Aäron de offers van het volk bij zich brengen. Hij slachtte de bok die voor het reinigingsoffer van het volk bestemd was en droeg het op dezelfde wijze op als zijn eigen reinigingsoffer. 16Hij liet de dieren voor het brandoffer bij zich brengen en offerde ze volgens de voorschriften. 17Hij liet het graanoffer bij zich brengen en verbrandde er een handvol van op het altaar. Dit offer kwam niet in mindering op het ochtendbrandoffer. 18Tot slot slachtte hij de stier en de ram die bedoeld waren als vredeoffer van het volk. Zijn zonen reikten hem het bloed aan, en hij goot het tegen de zijkanten van het altaar. 19De vette delen van de stier en de ram, namelijk de staart en al het vet van de buikholte, de nieren en de kleinste lob van de lever, 20legden ze bij de borststukken, en Aäron verbrandde het vet op het altaar. 21Het borststuk en de rechterachterbout van de dieren hief hij ten overstaan van de HEER omhoog, zoals Mozes bevolen had. 22Daarna strekte hij zijn handen naar het volk uit en zegende het. Nadat Aäron de offers had opgedragen, daalde hij af van het altaar 23en ging hij samen met Mozes de ontmoetingstent binnen. Toen ze weer buitenkwamen, zegenden ze het volk. Daarop verscheen de majesteit van de HEER aan heel het volk. 24Een felle vlam kwam uit het heiligdom en verteerde het brandoffer en het vet op het altaar. Toen het volk dat zag, begon het te jubelen, en iedereen wierp zich ter aarde.

1Aärons zonen Nadab en Abihu deden gloeiende kolen in hun vuurbak en legden er reukwerk op. Maar het was verkeerd vuur dat ze de HEER wilden aanbieden, vuur dat niet voldeed aan zijn voorschriften. 2Een felle vlam kwam uit het heiligdom en verteerde hen, zodat ze daar, in de nabijheid van de HEER, stierven. 3Mozes zei tegen Aäron: ‘Dit bedoelde de HEER toen Hij zei: “Door degenen die in mijn nabijheid verkeren, toon Ik mijn heiligheid. Het hele volk maak Ik getuige van mijn majesteit.”’ Aäron zweeg.

4Mozes riep Misaël en Elsafan bij zich, de zonen van Aärons oom Uzziël. Hij zei tegen hen: ‘Kom hier en draag jullie broeders bij het heiligdom vandaan en breng hen buiten het kamp.’ 5Ze droegen hen, nog gekleed in hun tuniek, het kamp uit, zoals Mozes hun had opgedragen. 6Mozes zei tegen Aäron en zijn zonen Eleazar en Itamar: ‘Jullie mogen je haar niet los laten hangen en je kleren niet scheuren, anders sterven jullie en ontsteekt de HEER in woede tegen de hele gemeenschap. Maar jullie broeders, de overige Israëlieten, mogen wel weeklagen over het vuur dat de HEER ontstoken heeft. 7Omdat jullie zijn gezalfd met de olie van de HEER, moeten jullie bij de ingang van de ontmoetingstent blijven, anders sterven jullie.’ Ze hielden zich aan wat Mozes hun had opgedragen.

8Toen zei de HEER tegen Aäron: 9‘Jij en je zonen mogen geen wijn of bier drinken voor je naar de ontmoetingstent komt, anders sterven jullie. Deze bepaling blijft voor jullie en je nakomelingen voor altijd van kracht. 10Jullie moeten onderscheid kunnen maken tussen wat heilig is en wat niet, tussen wat rein is en wat onrein, 11en de Israëlieten uitleg geven over alle bepalingen die de HEER bij monde van Mozes aan hen bekendgemaakt heeft.’

12Mozes zei tegen Aäron en zijn overgebleven zonen, Eleazar en Itamar: ‘Neem wat er over is van het graanoffer dat aan de HEER is aangeboden, en eet het in de vorm van ongedesemd brood, naast het altaar, want het is allerheiligst. 13Jullie moeten het eten op een heilige plaats; het is voor jou en je zonen bestemd als jullie aandeel in de offergaven voor de HEER. Zo is het mij opgedragen. 14Maar het borststuk en de rechterachterbout mogen jij en je zonen en dochters op elke reine plaats eten; ze zijn voor jou en je zonen bestemd als jullie aandeel in de vredeoffers van de Israëlieten. 15De Israëlieten moeten behalve de vette delen ook de rechterachterbout en het borststuk naar de HEER brengen en die moeten ten overstaan van de HEER omhooggeheven worden; ze zijn voor altijd voor jou en je zonen bestemd. Zo heeft de HEER het ons opgedragen.’ 16Toen ging Mozes overal navraag doen naar de bok die als reinigingsoffer was aangeboden, maar die bleek te zijn verbrand. Boos vroeg Mozes aan Eleazar en Itamar, de overgebleven zonen van Aäron: 17‘Waarom hebben jullie het vlees van het reinigingsoffer niet opgegeten, op een heilige plaats? Het is allerheiligst en de HEER heeft het aan jullie gegeven om de schuld van het volk weg te nemen en voor hen verzoening te bewerken. 18Het bloed van het offerdier was niet het heiligdom binnengebracht, dus hadden jullie het vlees in het heiligdom moeten eten, zoals ik bevolen had.’ 19Aäron zei tegen Mozes: ‘Mijn zonen hebben vandaag hun reinigingsoffer en hun brandoffer aangeboden aan de HEER, maar je weet wat mij vandaag overkomen is. Als ik vandaag van het vlees van het reinigingsoffer gegeten zou hebben, zou dat dan goed zijn geweest in de ogen van de HEER?’ 20Toen Mozes dit hoorde, vond hij het goed.

Leviticus 9-10NBV21Open in de Bijbel

57HEER, mijn enig bezit, ik heb beloofd

mij te houden aan uw woorden.

58Met heel mijn hart zoek ik uw gunst,

wees mij genadig zoals U hebt beloofd.

59Ik heb nagedacht over de weg die ik ga

en volg weer het spoor van uw richtlijnen,

60ik haast mij, en aarzel niet

mij te houden aan uw geboden.

61Al zetten rondom mij zondaars hun strikken,

uw wet vergeet ik niet.

62Midden in de nacht sta ik op en loof U

om uw rechtvaardige voorschriften.

63Ik ben een vriend van allen die U vrezen

en zich houden aan uw regels.

64De aarde is vol van uw trouw, HEER,

onderwijs mij in uw wetten.

*

Psalmen 119:57-64NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.15
Volg ons