Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 49 / Ex. 21-22, Ps. 106

Bijbeltekst(en)

1‘Houd hun ook deze regels voor:

2Wanneer je een Hebreeuwse slaaf koopt, moet hij je zes jaar lang dienen; in het zevende jaar mag hij als vrij man vertrekken, zonder iets te hoeven betalen. 3Als hij alleen is gekomen, moet hij ook alleen weggaan; was hij getrouwd, dan mag zijn vrouw met hem meegaan. 4Als zijn meester hem een vrouw heeft gegeven en zij heeft hem zonen of dochters gebaard, blijven de vrouw en haar kinderen eigendom van de meester en moet de slaaf alleen weggaan. 5Mocht hij echter te kennen geven dat hij zo aan zijn meester en aan zijn vrouw en kinderen gehecht is dat hij niet als vrij man wil vertrekken, 6dan moet zijn meester hem naar het heiligdom brengen, hem tegen de deur of de deurpost zetten, en zijn oor met een priem doorboren. Hij blijft dan voorgoed zijn slaaf.

7Wanneer iemand zijn dochter als slavin verkoopt, kan zij niet vrijkomen zoals de mannelijke slaven. 8Als haar meester haar voor zichzelf bestemd had en zij hem niet meer aanstaat, moet hij haar laten terugkopen; hij heeft niet het recht haar aan derden te verkopen, omdat hij zijn verplichtingen tegenover haar niet is nagekomen. 9Bestemt hij haar voor zijn zoon, dan moet hij haar als een dochter behandelen. 10Neemt hij naast haar een andere vrouw, dan mag hij de slavin niet minder voedsel of kleding geven en niet minder vaak gemeenschap met haar hebben; 11doet hij haar op een van deze drie punten tekort, dan mag ze weggaan zonder ook maar iets te hoeven betalen.

12Wie een ander zodanig slaat dat deze sterft, moet ter dood gebracht worden. 13Maar in het geval dat hij het niet met opzet deed en God zijn hand bestuurde, kan hij vluchten naar een plaats die Ik jullie zal aanwijzen. 14Wanneer iemand een ander echter verraderlijk vermoordt, met voorbedachten rade, mag je hem zelfs van mijn altaar weghalen om hem ter dood te brengen.

15Wie zijn vader of moeder mishandelt, moet ter dood gebracht worden.

16Wie iemand ontvoert, moet ter dood gebracht worden, of hij de ander nu als slaaf verkocht heeft of hem nog in zijn bezit heeft.

17Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden.

18Wanneer twee mannen ruziemaken en de een de ander zodanig met een steen of met zijn vuist slaat dat hij niet sterft maar wel het bed moet houden, 19en hij weer op de been komt en met behulp van een kruk weer buiten kan lopen, dan gaat degene die hem geslagen heeft vrijuit. Wel moet deze hem de gedwongen rusttijd en de kosten van zijn herstel vergoeden.

20Wanneer iemand zijn slaaf of slavin met een stok slaat en hij of zij sterft ter plekke, dan moet er vergelding plaatsvinden. 21Als de slaaf of slavin nog enkele dagen in leven blijft, gaat de eigenaar vrijuit; door het verlies van zijn eigendom is hij genoeg gestraft.

22Wanneer twee mannen aan het vechten zijn en een van hen een zwangere vrouw raakt met als gevolg dat zij een miskraam krijgt, maar ze heeft verder geen letsel opgelopen, dan moet een boete worden geëist waarvan de hoogte door haar echtgenoot wordt vastgesteld; de rechters moeten op de betaling toezien. 23Heeft ze wel ander letsel opgelopen, dan geldt: een leven voor een leven, 24een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet, 25een brandwond voor een brandwond, een kneuzing voor een kneuzing, een striem voor een striem.

26Wanneer iemand zijn slaaf of slavin zodanig in het oog treft dat dit verloren gaat, moet hij hem of haar als vergoeding voor dat oog vrijlaten. 27En als hij zijn slaaf of slavin een tand uitslaat, moet hij hem of haar als vergoeding voor die tand vrijlaten.

28Wanneer een stier een man of vrouw zodanig stoot dat deze sterft, moet die stier gestenigd worden en mag het vlees ervan niet gegeten worden. De eigenaar gaat echter vrijuit. 29Maar als die stier een man of vrouw doodt terwijl hij voor die tijd al stotig was, en de eigenaar was gewaarschuwd maar had hem niet vastgezet, dan moet niet alleen de stier gestenigd worden maar moet ook de eigenaar ter dood gebracht worden. 30Legt men hem een afkoopsom op, dan moet hij als losprijs voor zijn leven de volle som die hem wordt opgelegd betalen. 31Deze regels gelden ook als de stier een jongen of meisje stoot. 32Als hij een slaaf of slavin stoot, moet aan zijn of haar meester dertig sjekel zilver worden betaald en moet de stier gestenigd worden.

33Wanneer iemand een put graaft of openlegt en hem daarna niet afdekt, en er valt een rund of een ezel in, 34moet de eigenaar van de put de schade vergoeden: hij betaalt de eigenaar van het dier een bepaald bedrag en mag het dode dier houden.

35Wanneer iemands stier de stier van een ander zodanig stoot dat die sterft, moet de levende stier verkocht worden en de opbrengst ervan gedeeld. Ook het dode dier moet verdeeld worden. 36Maar als bekend was dat de stier voor die tijd al stotig was en de eigenaar had hem niet vastgezet, dan moet hij de dode stier met een levende vergoeden; het dode dier mag hij houden.

37Wanneer iemand een rund steelt of een schaap of geit en hij slacht of verkoopt het dier, dan moet hij het vergoeden: een rund met vijf runderen, en een schaap of geit met vier schapen of geiten.

1Betrapt iemand de dief op heterdaad en slaat hij hem dood, dan laadt hij daarmee geen bloedschuld op zich. 2Gebeurt dit echter na zonsopgang, dan laadt hij wel bloedschuld op zich. De dief moet alles vergoeden; bezit hij niets, dan moet men hem verkopen voor een bedrag ter waarde van het gestolene. 3Als het gestolen dier nog levend bij hem wordt aangetroffen, moet hij het dubbel vergoeden, of het nu een rund betreft, een ezel, schaap of geit.

4Wanneer iemand zijn vee loslaat om een stuk land of een wijngaard te begrazen, en zijn dieren grazen de akker van een ander af, dan moet hij de schade met de beste opbrengst van zijn land of wijngaard vergoeden.

5Wanneer iemand iets verbrandt en het vuur overslaat op doornstruiken, waardoor korenschoven of een akker met het staande koren in vlammen opgaan, moet de veroorzaker van de brand de schade vergoeden.

6Wanneer iemand geld of sieraden aan een ander in bewaring geeft en dit wordt uit het huis van die ander gestolen, moet de dief, als hij gepakt wordt, een dubbele vergoeding geven. 7Als de dief niet gevonden wordt, moet de eigenaar van het huis in het heiligdom zweren dat hij zich niet aan de bezittingen van de ander heeft vergrepen. 8Bij elk vermoeden van verduistering – of het nu een rund betreft, een ezel, een schaap of geit, een kledingstuk, of welk zoekgeraakt voorwerp ook waarvan iemand beweert dat het zijn eigendom is – moeten beide partijen hun zaak aan God voorleggen. Degene die door God schuldig verklaard wordt, moet de ander een dubbele vergoeding geven.

9Wanneer iemand een ezel, rund, schaap of geit of welk dier dan ook aan een ander toevertrouwt, en het gaat dood of raakt gewond of wordt geroofd zonder dat er getuigen zijn, 10en die ander zweert bij de HEER dat hij zich niet aan het bezit van de eigenaar vergrepen heeft, dan moet deze daar genoegen mee nemen en hoeft hem niets vergoed te worden. 11Als vaststaat dat het dier gestolen is van de ander, moet deze het aan de eigenaar vergoeden. 12Als het door een roofdier gedood is, moet hij dat bewijzen door hem het dode dier te brengen; hij hoeft het verscheurde dier niet te vergoeden.

13Wanneer iemand een dier van een ander in bruikleen heeft en het raakt gewond of sterft terwijl de eigenaar er niet bij is, moet hij het dier volledig vergoeden. 14Is de eigenaar er wel bij, dan is hij geen vergoeding verschuldigd. Was het dier gehuurd, dan is de schade bij de huurprijs inbegrepen.

15Wanneer iemand een meisje dat nog niet uitgehuwelijkt is verleidt, moet hij de volle bruidsprijs betalen en met haar trouwen. 16Mocht haar vader weigeren haar aan hem uit te huwelijken, dan moet hij een bedrag betalen dat overeenkomt met de bruidsprijs voor een maagd.

17Een tovenares mag niet in leven blijven.

18Wie gemeenschap heeft met een dier, moet ter dood gebracht worden.

19Wie aan andere goden offers brengt, en niet uitsluitend aan de HEER, moet onder de ban worden geplaatst en gedood worden.

20Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. 21Weduwen en wezen mag je evenmin uitbuiten. 22Doe je dat toch en smeken zij Mij om hulp, dan zal Ik zeker naar hen luisteren: 23Ik zal in woede ontsteken en ieder van jullie doden, en dan zullen jullie eigen vrouwen weduwe worden en jullie kinderen wees.

24Als je geld leent aan iemand van mijn volk die armoede lijdt, gedraag je dan niet als een geldschieter en vraag geen rente van hem. 25Als je iemands mantel als onderpand neemt, moet je die voor zonsondergang aan hem teruggeven, 26want hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken. Waarmee moet hij zijn lichaam anders beschermen als hij gaat slapen? Als hij Mij om hulp smeekt, zal Ik naar hem luisteren, want Ik ben een genadige God.

27Je mag God niet lasteren en je mag de leiders van je volk niet vervloeken.

28Sta de eerste opbrengst van de graan- en de druivenoogst zonder uitstel aan Mij af, en geef Mij ook je eerstgeboren zoon. 29Hetzelfde geldt voor de eerste jongen van je runderen en van je schapen en geiten; zeven dagen mogen ze bij hun moeder blijven, op de achtste dag moet je ze aan Mij afstaan.

30Leef als mensen die aan Mij gewijd zijn. Eet geen vlees van een dier dat door een roofdier is gedood; dat moet je aan de honden geven.

Exodus 21-22NBV21Open in de Bijbel

1Halleluja!

Loof de HEER, want Hij is goed,

eeuwig duurt zijn trouw.

2Wie kan zijn machtige daden verwoorden,

wie de roem van de HEER laten klinken?

3Gelukkig wie zich houden aan het recht

en doen wat rechtvaardig is, telkens weer.

4Denk aan mij, HEER, uit liefde voor uw volk,

zie naar mij om, U die redding brengt.

5Dan zal ik uw uitverkorenen gelukkig zien,

vreugde vinden in de vreugde van uw volk,

vervuld zijn van trots op uw liefste bezit.

6Wij hebben gezondigd zoals onze voorouders,

wij hebben gefaald en kwaad bedreven.

7Toen onze voorouders in Egypte waren,

sloegen zij geen acht op uw wonderen,

dachten zij niet aan uw tekenen van trouw,

en kwamen in opstand aan de oever van de Rietzee.

8Toch redde Hij hen, tot eer van zijn naam,

om hun zijn macht te tonen.

9Op zijn dreigen viel de Rietzee droog,

Hij leidde hen door de diepte als door een woestijn.

10Hij redde hen uit de greep van hun haters,

verloste hen uit de greep van de vijand.

11Het water bedekte hun belagers,

niet één van hen bleef in leven.

12Toen hadden zij vertrouwen in zijn woorden

en bezongen ze zijn roem,

13maar snel vergaten zij wat Hij gedaan had,

ze wachtten niet geduldig zijn plannen af.

14Onverzadigbaar was hun eetlust in de woestijn,

ze daagden God uit in het dorre land.

15Hij gaf hun wat zij verlangden,

zo veel dat ze erin stikten.

16In het kamp werden zij afgunstig op Mozes,

en op Aäron, de heilige dienaar van de HEER.

17De aarde opende zich: verzwolgen werd Datan

en bedolven de bende van Abiram.

18Vuur verbrandde hun aanhang,

een felle vlam heeft de schuldigen verteerd.

19Zij maakten een stierkalf bij de Horeb

en bogen zich voor een stuk metaal.

20God, hun eer, ruilden zij in voor een beeld

van een rund, dat gras eet.

21Vergeten waren zij God, hun redder,

die iets groots had verricht in Egypte,

22wonderen in het land van Cham,

geduchte daden bij de Rietzee.

23Hij besloot hen uit te roeien,

maar Mozes, de man die Hij had gekozen,

verdedigde hen, ging voor Hem staan

en wendde zijn dodelijke woede af.

24Zij weigerden het begeerlijke land

en stelden geen vertrouwen in zijn woord.

25Ze bleven klagend in hun tenten

en wilden niet luisteren naar de HEER.

26Hij hief zijn hand en zwoer

hen te doden in de woestijn,

27hun nazaten te verspreiden onder de volken,

te verstrooien over alle landen.

28Zij verbonden zich aan de Baäl van de Peor

en aten van offers voor de doden.

29Ze griefden Hem met hun gedrag,

en onder hen brak een plaag uit.

30Pinechas stond op en kwam tussenbeide,

en de plaag werd bedwongen.

31Het is hem toegerekend als rechtvaardigheid,

van geslacht op geslacht, tot in eeuwigheid.

32Zij wekten zijn toorn bij het water van Meriba

en brachten Mozes in moeilijkheden,

33want toen zij zich verzetten tegen Gods geest,

sprak hij overhaast en onbezonnen.

34Zij roeiden de volken niet uit

die de HEER hun had aangewezen,

35vermengden zich zelfs met hen

en namen hun gewoonten over,

36vereerden hun godenbeelden

en raakten verstrikt in hun netten.

37Zij brachten hun zonen en dochters

ten offer aan de demonen

38en vergoten het bloed van onschuldigen,

het bloed van hun zonen en dochters,

geofferd aan de beelden van Kanaän.

Een stroom van bloed ontheiligde het land.

39Zij werden onrein door hun daden,

overspelig was hun gedrag.

40Toen ontstak de HEER in toorn,

Hij gruwde van zijn volk, zijn liefste bezit.

41Hij gaf het in de macht van vreemde volken,

zij werden overheerst door hun haters,

42onderdrukt door hun vijanden,

en moesten zwichten voor hun macht.

43Vele malen kwam Hij hen bevrijden,

maar zij volhardden in opstandig gedrag

en zonken weg door eigen schuld.

44Toch zag Hij naar hen om, telkens

als Hij hen hoorde klagen in hun nood.

45Hij dacht weer aan zijn verbond met hen,

zo trouw was Hij dat Hij deernis voelde

46en medelijden wekte bij allen

die hen hadden weggevoerd.

47Red ons, HEER, onze God,

breng ons bijeen uit de andere volken,

dan loven wij uw heilige naam

en verkondigen trots uw roem.

48Geprezen zij de HEER, de God van Israël,

van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Laat het hele volk antwoorden: ‘Amen!’

Halleluja!

Psalmen 106NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons