Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 43 / Ex. 4-6, Ps. 140

Bijbeltekst(en)

1Weer maakte Mozes bezwaar. ‘Ze zullen me vast niet geloven en niet naar me luisteren,’ zei hij. ‘Ze zullen zeggen: “De HEER is helemaal niet aan jou verschenen.”’ 2De HEER vroeg: ‘Wat heb je daar in je hand?’ ‘Een staf,’ antwoordde Mozes. 3‘Gooi hem op de grond,’ beval de HEER, en toen Mozes dat deed, veranderde de staf in een slang. Mozes deinsde achteruit, 4maar de HEER zei tegen hem: ‘Grijp de slang bij zijn staart.’ Toen Mozes dat deed, veranderde in zijn hand de slang weer in een staf. 5De HEER zei: ‘Hierdoor zullen ze geloven dat de HEER, de God van hun voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, aan jou verschenen is.’ 6Ook zei Hij: ‘Steek je hand eens in je kleed.’ Mozes deed dat, en toen hij zijn hand er weer uit trok, zat die onder de uitslag, hij was sneeuwwit. 7‘Steek je hand nog eens in je kleed,’ zei de HEER. Mozes deed het en toen hij zijn hand er opnieuw uit trok, zag die er weer net zo uit als de rest van zijn huid. 8‘Als ze je niet geloven en zich niet door het eerste wonderteken laten overtuigen,’ zei de HEER, ‘dan zullen ze zich wel laten overtuigen door het tweede. 9Maar zijn ze door geen van deze beide wonderen te overtuigen en blijven ze weigeren naar je te luisteren, dan moet je water uit de Nijl scheppen en dat over het land uitgieten; het water uit de Nijl zal op het droge in bloed veranderen.’

10Maar Mozes antwoordde: ‘Neemt U mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen goed spreker. Dat is altijd al zo geweest, en daar is geen verandering in gekomen nu U tegen mij, uw dienaar, gesproken hebt. Ik kan moeilijk uit mijn woorden komen.’ 11De HEER zei: ‘Wie heeft de mens een mond gegeven? Wie maakt iemand stom of doof, ziende of blind? Wie anders dan Ik, de HEER? 12Ga nu, Ik zal bij je zijn als je moet spreken en je de woorden in de mond leggen.’

13Maar Mozes zei: ‘Neemt U mij niet kwalijk, Heer, stuur toch iemand anders, wie U maar wilt.’ 14Nu werd de HEER kwaad op Mozes. ‘Je hebt toch een broer, de Leviet Aäron?’ zei Hij. ‘Ik weet dat hij welbespraakt is. Hij is al naar je onderweg en zal blij zijn je te zien. 15Spreek tot hem en leg hem de woorden in de mond. Ik zal bij jullie zijn als je moet spreken en jullie zeggen wat je moet doen. 16Hij zal in jouw plaats het volk toespreken: hij zal jouw mond zijn, jij zult zijn god zijn. 17En neem je staf in de hand, want daarmee moet je de wonderen doen.’

18Mozes ging terug naar zijn schoonvader Jetro en zei tegen hem: ‘Ik zou graag teruggaan naar Egypte, om te zien of de mensen van mijn volk nog in leven zijn.’ ‘Ga in vrede,’ antwoordde Jetro. 19De HEER zei Mozes nog in Midjan dat hij veilig naar Egypte kon terugkeren, aangezien iedereen die hem naar het leven had gestaan gestorven was. 20Mozes zette zijn vrouw en kinderen op een ezel en ging op weg, terug naar Egypte. De staf van God hield hij in zijn hand. 21Toen zei de HEER tegen Mozes: ‘Nu je teruggaat naar Egypte, moeten jullie daar de farao alle wonderen laten zien waartoe Ik je de macht heb gegeven. Ik zal ervoor zorgen dat hij hardnekkig weigert het volk te laten gaan. 22En dan moet jij tegen de farao zeggen: “Dit zegt de HEER: Israël is mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon. 23Ik heb je bevolen mijn zoon te laten gaan om Mij te vereren, maar dat heb je geweigerd. Daarom zal Ik jouw eerstgeboren zoon doden.”’

24Onderweg, toen Mozes en de zijnen ergens overnachtten, kwam de HEER op hem af en probeerde hem te doden. 25Sippora pakte een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon weg en raakte daarmee Mozes’ voeten aan, terwijl ze zei: ‘Een bloedbruidegom ben jij voor mij.’ 26(Ze noemde hem toen bloedbruidegom vanwege die besnijdenis.) Toen liet de HEER hem met rust.

27De HEER had tegen Aäron gezegd: ‘Ga de woestijn in, Mozes tegemoet.’ Aäron was op weg gegaan en ontmoette Mozes bij de berg van God. Hij kuste hem 28en Mozes vertelde Aäron wat de HEER hem had opgedragen: wat hij moest zeggen en welke wonderen hij moest doen. 29Toen gingen Mozes en Aäron samen naar Egypte en daar riepen ze de oudsten van Israël bij elkaar. 30Aäron herhaalde woord voor woord wat de HEER tegen Mozes gezegd had, en liet het volk de wonderen zien. 31De Israëlieten werden hierdoor overtuigd; toen ze hoorden dat de HEER hun ellende had gezien en zich hun lot had aangetrokken, knielden ze en bogen ze zich diep neer.

Mozes en Aäron voor de farao; de onderdrukking verzwaard

1Hierna gingen Mozes en Aäron naar de farao, en ze zeiden tegen hem: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Laat mijn volk gaan, om in de woestijn ter ere van Mij een feest te vieren.’ 2‘Wie is die HEER, dat ik Hem zou gehoorzamen?’ vroeg de farao. ‘Waarom zou ik de Israëlieten laten gaan? Ik ken de HEER niet en de Israëlieten laat ik niet gaan.’ 3Ze zeiden: ‘De God van de Hebreeën is naar ons toe gekomen. Sta ons toe drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om de HEER, onze God, daar offers te brengen. Anders treft Hij ons met de pest of met het zwaard.’ 4Maar de koning van Egypte zei: ‘Mozes en Aäron, hoe durft u het volk van zijn werk af te houden? Vooruit, aan het werk!’ 5En hij voegde eraan toe: ‘Dat volk is nu al veel te talrijk, en dan wilt u ook nog dat ze ophouden met werken!’

6Nog diezelfde dag gaf de farao zijn slavendrijvers en de opzichters dit bevel: 7‘Jullie mogen het volk geen stro meer geven om stenen te maken, zoals jullie tot nu toe deden; voortaan moeten ze zelf stro gaan zoeken. 8Maar eis wel hetzelfde aantal stenen als voorheen, ze mogen geen steen minder afleveren. Ze zijn lui! Daarom roepen ze dat ze hun God offers willen gaan brengen. 9Ze moeten harder aan het werk gezet worden, dan hebben ze geen tijd meer om naar zulke verzinsels te luisteren.’

10De slavendrijvers en opzichters brachten aan het volk over wat de farao had gezegd: dat hij hun voortaan geen stro meer gaf, 11en dat ze zelf stro moesten zien te vinden maar geen steen minder mochten afleveren. 12Daarop zwermden de Israëlieten over heel Egypte uit om stoppels te zoeken ter vervanging van het stro. 13En de slavendrijvers joegen hen op en eisten dat ze iedere dag evenveel werk zouden afleveren als toen ze het stro nog kregen. 14De Israëlitische opzichters die door de slavendrijvers van de farao over het volk waren aangesteld, werden afgeranseld; zij kregen te horen dat ze de laatste dagen niet het verplichte aantal stenen hadden afgeleverd. 15Ze klaagden hun nood bij de farao. ‘Waarom behandelt u uw dienaren zo?’ zeiden ze. 16‘We krijgen geen stro meer, en toch worden we gedwongen om stenen te maken. En wij worden afgeranseld, terwijl de schuld bij uw volk ligt.’ 17Maar de farao antwoordde: ‘Lui zijn jullie, alleen maar lui! Daarom willen jullie offers aan de HEER gaan brengen. 18Vooruit, onmiddellijk aan het werk! Jullie krijgen geen stro, en jullie leveren hetzelfde aantal stenen.’

19De Israëlitische opzichters beseften hoe slecht zij ervoor stonden, nu de farao zelf tegen hen had gezegd dat de dagelijkse hoeveelheid stenen die ze moesten afleveren niet verminderd werd. 20Toen ze het paleis uit kwamen troffen ze Mozes en Aäron aan, die op hen stonden te wachten. 21‘Moge de HEER u hiervoor straffen!’ zeiden de opzichters tegen hen. ‘U hebt ons bij de farao en zijn hovelingen een slechte naam bezorgd. U hebt hun een zwaard in handen gegeven om ons te doden.’

22Toen wendde Mozes zich opnieuw tot de HEER en zei: ‘Heer, waarom behandelt U dit volk zo slecht? Waarom hebt U mij hierheen gestuurd? 23Vanaf het moment dat ik bij de farao ben gekomen en hem in uw naam heb toegesproken, heeft hij het volk slecht behandeld. U hebt uw volk niet bevrijd – integendeel!’

1Maar de HEER antwoordde hem: ‘Nu zul je zien wat Ik de farao ga aandoen: Ik zal hem met harde hand dwingen mijn volk te laten gaan, hij zal het zelfs uit zijn land wegjagen.’
Mozes opnieuw geroepen

2God zei tegen Mozes: ‘Ik ben de HEER. 3Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God, de Ontzagwekkende, maar mijn naam HEER heb Ik niet aan hen bekendgemaakt. 4Ik heb met hen mijn verbond gesloten en Kanaän aan hen beloofd, het land waarin zij als vreemdeling hebben gewoond. 5Ik heb het gejammer van de Israëlieten over de slavenarbeid die hun door de Egyptenaren is opgelegd gehoord, en dat heeft Mij aan die belofte herinnerd. 6Daarom moet je dit tegen hen zeggen: “Ik ben de HEER. Ik zal de last die de Egyptenaren jullie opleggen van je afnemen, Ik zal jullie uit je slavenbestaan bevrijden. Ik zal jullie verlossen met opgeheven arm en de Egyptenaren zwaar straffen. 7Ik zal jullie aannemen als mijn volk, en Ik zal jullie God zijn. En jullie zullen inzien dat Ik, de HEER, jullie God ben, die jullie bevrijdt van de last die je door de Egyptenaren is opgelegd. 8Ik zal jullie naar het land brengen dat Ik onder ede aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb; dat land zal Ik jullie in bezit geven. Ik ben de HEER.”’ 9Mozes bracht dit aan de Israëlieten over, maar ze wilden niet naar hem luisteren, moedeloos als ze waren door de zware dwangarbeid.

10Toen zei de HEER tegen Mozes: 11‘Ga naar de farao, de koning van Egypte, en zeg hem dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten vertrekken.’ 12Maar Mozes antwoordde: ‘Als de Israëlieten al niet naar me luisteren, zal de farao dat dan wel doen? Ik kom immers moeilijk uit mijn woorden.’

13Mozes en Aäron waren het tot wie de HEER zich richtte; zij werden door Hem afgevaardigd naar de Israëlieten en naar de farao, de koning van Egypte, om de Israëlieten uit Egypte weg te leiden.

14Hier volgen de familiehoofden van het geslacht waaruit zij stamden. Zonen van Ruben, Israëls eerstgeborene: Chanoch, Pallu, Chesron en Karmi. Dit waren de families die van Ruben afstamden. 15Zonen van Simeon: Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Sochar en Saül, de zoon van een Kanaänitische. Dit waren de families die van Simeon afstamden.

16En hier volgen de namen van de zonen van Levi, in volgorde van geboorte: Gerson, Kehat en Merari. Levi werd honderdzevenendertig jaar. 17Zonen van Gerson: Libni en Simi, elk hoofd van een familie. 18Zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. Kehat werd honderddrieëndertig jaar. 19Zonen van Merari: Machli en Musi. Dit waren de families die van Levi afstamden, in volgorde van geboorte van de familiehoofden. 20Amram trouwde met Jochebed, een zus van zijn vader. Zij baarde hem Aäron en Mozes. Amram werd honderdzevenendertig jaar. 21Zonen van Jishar: Korach, Nefeg en Zichri. 22Zonen van Uzziël: Misaël, Elsafan en Sitri. 23Aäron trouwde met Eliseba, die een dochter was van Amminadab en een zus van Nachson. Zij baarde hem Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. 24Zonen van Korach: Assir, Elkana en Abiasaf. Dit waren de families die van Korach afstamden. 25Aärons zoon Eleazar trouwde met een dochter van Putiël, en zij baarde hem Pinechas. Dit waren de hoofden van de families van het geslacht Levi.

26Deze Aäron en Mozes waren het aan wie de HEER de opdracht gaf om de Israëlieten, in groepen geordend, uit Egypte te leiden. 27Deze Mozes en Aäron waren het die de farao, de koning van Egypte, aanzegden dat ze de Israëlieten uit zijn land zouden wegleiden.

28Toen de HEER zich in Egypte tot Mozes richtte, 29zei Hij: ‘Ik ben de HEER. Alles wat Ik tegen je zeg, moet je overbrengen aan de farao, de koning van Egypte.’ 30Mozes antwoordde: ‘Ik kom zo moeilijk uit mijn woorden, de farao zal niet naar me luisteren.’

Exodus 4-6NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Een psalm van David.

2Bevrijd mij, HEER, van wie mij kwaad doen,

behoed mij voor hun bruut geweld.

3In hun hart bedenken zij boze plannen,

heel de dag zoeken ze strijd.

4Hun tong is scherp als die van een slang,

achter hun lippen schuilt het gif van een adder. sela

5Houd mij, HEER, uit de handen van schurken,

behoed mij voor hun bruut geweld.

Ze zijn op mijn ondergang uit,

6in hun hoogmoed leggen ze strikken,

ze spannen met touwen een net

en zetten een val op mijn weg. sela

7Ik roep tot de HEER: ‘U bent mijn God,

luister, HEER, naar mijn smeekgebed.

8HEER, mijn God, machtige redder,

U beschermt mij op de dag van de strijd.

9HEER, geef de schurken niet wat zij begeren,

doorkruis hun plannen als zij opstaan tegen mij. sela

10Dat het hoofd van mijn belagers

wordt getroffen door de vloek van hun lippen.

11Dat gloeiende kolen op hen neerstorten,

dat ze vallen in een kuil waaruit ze nooit meer opstaan.

12Dat er in het land voor lasteraars geen plaats is,

dat het kwaad onderdrukkers tot de dood achtervolgt.’

13Dit weet ik: de HEER beschermt de zwakken,

Hij doet recht aan de armen.

14De rechtvaardigen zullen uw naam prijzen,

de oprechten wonen in uw nabijheid.

Psalmen 140NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons