Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 344 / Neh. 7-10, Ps. 147

Bijbeltekst(en)

1Toen de muur was opgebouwd liet ik de deuren in de poorten plaatsen. Er werden poortwachters aangesteld en de tempelzangers en de Levieten kregen hun taken toegewezen. 2De verdediging van Jeruzalem droeg ik op aan mijn broer Chanani, en ook aan Chananja, de commandant van de burcht, want weinigen waren zo betrouwbaar en zo vroom als hij. 3Ik zei tegen hen: ‘Op het heetst van de dag mogen de poorten van Jeruzalem niet opengedaan worden, en voordat hun dienst is afgelopen moeten de poortwachters de deuren sluiten. Vergrendel ze dan, en laat iedere inwoner van Jeruzalem wachtlopen, op zijn post of bij zijn eigen huis.’ 4De stad was weliswaar zeer uitgestrekt, maar er waren weinig inwoners en ook waren er nog nauwelijks huizen herbouwd. 5Mijn God gaf mij in om de vooraanstaande burgers, het stadsbestuur en het volk bijeen te roepen om in de registers te worden ingeschreven, en toen ontdekte ik het register van hen die destijds uit Babel waren weggetrokken. Het volgende was daarin opgetekend:

Lijst van teruggekeerde ballingen

6-7‘Dit zijn de inwoners van de provincie Juda die zijn teruggekeerd uit de ballingschap in Babylonië, waarheen zij eerder waren weggevoerd door koning Nebukadnessar. Zij zijn teruggekeerd met Zerubbabel, Jesua, Nechemja, Azarja, Raämja, Nachamani, Mordechai, Bilsan, Misperet, Bigwai, Nechum en Baäna, en vestigden zich in Jeruzalem en Juda, in hun eigen steden.

De aantallen:

    Israëlitische mannen:
    82172 afstammelingen van Paros
    9372 afstammelingen van Sefatja
    10652 afstammelingen van Arach
    112818 afstammelingen van Pachat-Moab, en wel de nakomelingen van Jesua en Joab
    121254 afstammelingen van Elam
    13845 afstammelingen van Zattu
    14760 afstammelingen van Zakkai
    15648 afstammelingen van Binnuï
    16628 afstammelingen van Bebai
    172322 afstammelingen van Azgad
    18667 afstammelingen van Adonikam
    192067 afstammelingen van Bigwai
    20655 afstammelingen van Adin
    2198 afstammelingen van Ater, en wel de nakomelingen van Chizkia
    22328 afstammelingen van Chasum
    23324 afstammelingen van Besai
    24112 afstammelingen van Charif
    2595 afstammelingen van Gibeon
    26188 inwoners van Betlehem en Netofa
    27128 inwoners van Anatot
    2842 inwoners van Bet-Azmawet
    29743 inwoners van Kirjat-Jearim, Kefira en Beërot
    30621 inwoners van Rama en Geba
    31122 inwoners van Michmas
    32123 inwoners van Betel en Ai
    3352 inwoners van het andere Nebo
    341254 afstammelingen van een andere Elam
    35320 afstammelingen van Charim
    36345 inwoners van Jericho
    37721 inwoners van Lod, Chadid en Ono
    383930 inwoners van Senaä.

    39Priesters:
    973 afstammelingen van Jedaja, en wel het geslacht van Jesua
    401052 afstammelingen van Immer
    411247 afstammelingen van Paschur
    421017 afstammelingen van Charim.

    43Levieten:
    74 afstammelingen van Jesua, namelijk van Kadmiël, en wel van de nakomelingen van Hodewa.

    44Tempelzangers:
    148 afstammelingen van Asaf.

    45Poortwachters:
    138 afstammelingen van Sallum, Ater, Talmon, Akkub, Chatita en Sobai.

    46Tempelknechten:
    afstammelingen van Sicha, Chasufa, Tabbaot,
    47Keros, Sia, Padon,
    48Lebana, Chagaba, Salmai,
    49Chanan, Giddel, Gachar,
    50Reaja, Resin, Nekoda,
    51Gazzam, Uzza, Paseach,
    52Besai, Meünim, Nefusim,
    53Bakbuk, Chakufa, Charchur,
    54Baslit, Mechida, Charsa,
    55Barkos, Sisera, Temach,
    56Nesiach en Chatifa.

    57Afstammelingen van de knechten van Salomo:
    afstammelingen van Sotai, Soferet, Perida,
    58Jaäla, Darkon, Giddel,
    59Sefatja, Chattil, Pocheret-Hassebaïm en Amon,
    60in totaal 392 tempelknechten en afstammelingen van de knechten van Salomo.

61-62Verder nog zij die kwamen uit Tel-Melach, Tel-Charsa, Kerub, Addon en Immer, 642 afstammelingen van Delaja, Tobia en Nekoda. Zij konden echter niet aantonen dat de families waartoe zij behoorden Israëlitisch waren. 63Dat gold ook voor de priesterfamilies Chobaja, Hakkos en Barzillai (zij heetten zo sinds hun stamvader een van de dochters van de Gileadiet Barzillai tot vrouw genomen had). 64Zij zochten naar het schriftelijke bewijs dat ze in de geslachtsregisters waren ingeschreven, maar ze vonden het niet. Op grond daarvan werden ze onrein verklaard en van het priesterschap uitgesloten. 65De landvoogd liet hun weten dat ze niet van de allerheiligste offergaven mochten eten totdat er een priester was die met behulp van de orakelstenen uitspraak kon doen.

66De hele gemeenschap telde in totaal 42.360 personen. 67Daarbij kwamen nog 7337 slaven en slavinnen, 245 zangers en zangeressen, 68435 kamelen en 6720 ezels.

69Een aantal familiehoofden stond een bijdrage af voor de tempeldienst, en de landvoogd gaf 1000 gouden darieken, 50 offerschalen, 30 priestergewaden en 500 mine zilver voor de tempelschat. 70Enkele familiehoofden brachten voor de tempeldienst 20.000 gouden darieken en 2200 mine zilver bijeen, 71en de overige teruggekeerde ballingen gaven 20.000 gouden darieken, 2000 mine zilver en 67 priestergewaden.

72De priesters, de Levieten, de poortwachters, de tempelzangers, een deel van het volk, de tempelknechten en alle andere Israëlieten vestigden zich in hun steden.’

Voorlezing uit de wet

Aan het begin van de zevende maand, toen de Israëlieten zich in hun steden hadden gevestigd,

1verzamelde het voltallige volk zich op het plein voor de Waterpoort. Men vroeg Ezra, de schrijver, het boek te halen met de wet van Mozes, de wet die de HEER aan Israël had opgelegd. 2Ezra, de priester, haalde het wetboek en toonde het aan de aanwezige mannen en vrouwen, en aan iedereen die in staat was het te begrijpen. Dit gebeurde op de eerste dag van de zevende maand. 3Op het plein voor de Waterpoort las Ezra de mannen en de vrouwen en iedereen die het kon begrijpen hardop uit het boek voor, vanaf het moment dat het licht werd tot de middag. Allen luisterden aandachtig naar de voorlezing van het wetboek.

4Ezra, de schrijver, stond op een houten verhoging die voor deze gelegenheid was vervaardigd. Naast hem, aan zijn rechterhand, stonden Mattitja, Sema, Anaja, Uria, Chilkia en Maäseja, en aan zijn linkerhand Pedaja, Misaël, Malkia, Chasum, Chasbaddana, Zecharja en Mesullam. 5Ezra stond hoger dan het volk, zodat iedereen kon zien hoe hij het boek opende, en op dat moment ging heel het volk staan. 6Ezra prees de HEER, de grote God, en heel het volk antwoordde: ‘Amen, amen,’ en ze hieven hun handen op, knielden neer en bogen diep voor de HEER. 7Vervolgens legden de Levieten Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabbetai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Chanan en Pelaja de wet uit aan het volk, dat weer was gaan staan. 8De Levieten lazen het boek met de wet van God duidelijk voor en gaven er uitleg bij; zo verschaften ze inzicht in het gelezene. 9Nehemia – hij was de landvoogd –, Ezra, de priester en schrijver, en de Levieten die het volk uitleg gaven, zeiden tegen iedereen: ‘Deze dag is gewijd aan de HEER, uw God; rouw dus niet, en huil niet!’ Het hele volk was namelijk in tranen uitgebarsten toen het de woorden van de wet hoorde. 10Ezra zei tegen hen: ‘Maak een feestmaal klaar met lekker eten en drinken, en deel ervan uit aan wie niets heeft, want deze dag is gewijd aan onze Heer. Wees niet bedroefd, want de vreugde die de HEER u geeft, is uw kracht.’ 11De Levieten maanden het volk tot stilte. Ze zeiden: ‘Wees stil, dit is een heilige dag, wees dus niet bedroefd.’ 12Toen ging iedereen eten en drinken. Ze deelden alles met elkaar en maakten er een groot en vrolijk feest van. Ze hadden begrepen wat hun was verteld.

13De volgende dag kwamen de priesters en de Levieten en alle familiehoofden van het volk samen bij Ezra, de schrijver, om zich te verdiepen in de bepalingen van de wet. 14In de wet die de HEER hun bij monde van Mozes had opgelegd vonden ze opgetekend dat zij, de Israëlieten, tijdens een feest in de zevende maand in loofhutten moesten wonen, 15en dat ze in Jeruzalem en in alle andere steden het volgende bekend moesten maken: ‘Ga de bergen in en haal takken van de olijfboom, de oleaster, de mirte, de palm en andere loofbomen om er loofhutten mee te maken, zoals is voorgeschreven.’ 16De mensen gingen eropuit om takken te halen, en iedereen maakte een loofhut, op zijn dak of op zijn erf, en ook in de voorhoven van de tempel en op de pleinen voor de Waterpoort en de Efraïmpoort. 17De hele gemeenschap die uit de ballingschap was teruggekeerd maakte loofhutten en ging erin wonen. Dat hadden de Israëlieten vanaf de tijd van Jozua, de zoon van Nun, tot op deze dag niet meer gedaan. De feestvreugde was groot. 18Iedere dag van het feest, van de eerste dag tot de laatste, werd er voorgelezen uit het boek van de wet van God. Zeven dagen vierden ze feest, en op de achtste dag was er een feestelijke samenkomst, zoals was voorgeschreven.

Vernieuwing van het verbond

1Op de vierentwintigste dag van deze maand kwamen de Israëlieten weer bijeen. Ze vastten en waren gehuld in boetekleren en met stof bedekt. 2De geboren Israëlieten gingen apart staan van de vreemdelingen, en zij beleden schuld voor hun zonden en voor de wandaden van hun voorouders. 3Zo stonden ze daar, en gedurende een vierde deel van de dag werd er voorgelezen uit het boek van de wet van de HEER, hun God, en nog eens een vierde deel van de dag beleden ze schuld en bogen ze zich neer voor de HEER, hun God. 4Op de verhoging van de Levieten stonden Jesua, Bani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Serebja, Bani en Kenani, en met luide stem riepen zij de HEER, hun God, aan. 5De Levieten Jesua, Kadmiël, Bani, Chasabneja, Serebja, Hodia, Sebanja en Petachja zeiden: ‘Sta op, prijs de HEER, uw God, voor eeuwig en altijd:

“Moge uw luisterrijke naam, die verheven is boven alle lof en roem, geprezen zijn. 6U alleen bent de HEER, U hebt de hemel gemaakt, de hoogste hemel en alle hemellichamen, de aarde en de zeeën met alles wat daar leeft. U geeft aan alles het leven, voor U buigen de hemelse machten. 7U bent de HEER, de God die Abram heeft uitgekozen, die hem uit Ur, de stad van de Chaldeeën, heeft geleid, die zijn naam veranderd heeft in Abraham. 8U hebt gezien hoe zijn hart trouw bleef aan U, U hebt een verbond met hem gesloten en hem beloofd het land van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Perizzieten, de Jebusieten en de Girgasieten aan zijn nageslacht te geven. U hebt uw woord gehouden, U bent rechtvaardig.

9U zag de ellende van onze voorouders in Egypte, bij de Rietzee hoorde U hen om hulp roepen. 10Daarop verrichtte U tekenen en wonderen bij de farao en al zijn dienaren, bij zijn hele volk, omdat U wist met hoeveel minachting zij onze voorouders behandelden. Zo hebt U uw naam gevestigd tot op deze dag. 11Voor de ogen van de Israëlieten spleet U de zee, midden in de zee liepen zij op het droge. U wierp hun achtervolgers in de diepte, als een steen in kolkend water. 12Overdag leidde U hen in een wolkkolom, ’s nachts in een vuurzuil, zodat er licht was op de weg die ze moesten gaan. 13U daalde neer op de Sinai, U sprak met hen vanuit de hemel, U gaf hun juiste rechtsregels, deugdelijke wetten en goede voorschriften en geboden.

14U maakte uw heilige sabbat aan hen bekend, U gaf hun uw geboden, voorschriften en wetten bij monde van uw dienaar Mozes. 15Wanneer ze honger hadden gaf U hun brood uit de hemel, wanneer ze dorst hadden liet U water voor hen uit een rots stromen. U beval hun het land binnen te gaan en in bezit te nemen, het land dat U hun onder ede had beloofd. 16Maar onze voorouders hebben zich misdragen; halsstarrig als ze waren luisterden ze niet naar uw geboden. 17Ze weigerden te luisteren en ze vergaten de wonderen die U voor hen verricht had. In hun halsstarrigheid stelden ze een nieuwe leider aan, ze wilden weer slaven worden in Egypte. Maar U bent een God van vergeving, genadig en liefdevol, geduldig en trouw: U verliet hen niet.

18Ze tergden U door een beeld te maken in de vorm van een stierkalf en te zeggen: ‘Dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid!’ 19Maar liefdevol als U bent, hebt U hen zelfs toen, daar in de woestijn, niet verlaten. Boven hen stond steeds de wolkkolom om hun bij dag de weg te wijzen, en ’s nachts was er de vuurzuil die de weg verlichtte waarlangs ze moesten gaan. 20U gaf hun uw goede geest, en zo verkregen ze inzicht; U stilde hun honger met manna, U leste hun dorst met water. 21Veertig jaar lang hebt U hen onderhouden, in de woestijn ontbrak het hun aan niets, hun kleding raakte niet versleten en hun voeten zwollen niet op. 22U gaf hun koninkrijken en volken; hun gebieden wees U hun als grensstreek toe. Ze namen het land van Sichon in bezit, het land van de koning van Chesbon en dat van Og, de koning van Basan. 23Hun kinderen maakte U zo talrijk als de sterren aan de hemel, en U bracht hen naar het land waarvan U hun voorouders had gezegd dat ze het in bezit moesten nemen.

24Hun kinderen kwamen inderdaad om het land in bezit te nemen. Voor hun ogen dwong U de Kanaänieten, de inwoners van het land, op de knieën, en U leverde de koningen en de volken die er woonden aan hen uit, zodat ze met hen konden doen wat ze wilden. 25Ze namen versterkte steden in en veroverden vruchtbare grond, ze namen huizen in bezit, vol met de mooiste goederen, en ook uitgehouwen putten, wijngaarden, olijfbomen en fruitbomen. Ze hadden volop te eten en werden vadsig, ze baadden in weelde door uw grote goedheid. 26Toen kwamen ze tegen U in opstand; ze rebelleerden en traden uw wetten met voeten. Ze vermoordden uw profeten, dezelfde profeten die hen naar U wilden terugbrengen en hen daarom hadden gewaarschuwd, en ze lasterden U. 27Daarom leverde U hen uit aan hun onderdrukkers.

Wanneer ze werden onderdrukt riepen ze U aan, en U, vanuit de hemel, verhoorde hen. In uw grote liefde stuurde U bevrijders naar hen toe, en telkens weer redden die hen uit de greep van hun onderdrukkers. 28Maar zodra ze weer rust hadden deden ze weer wat slecht is in uw ogen. Dan leverde U hen aan hun vijanden uit, die hen vervolgens weer overheersten, en dan riepen zij U opnieuw aan, en vanuit de hemel verhoorde U hen weer. Liefdevol als U bent, redde U hen vele malen.

29U waarschuwde hen, om hen terug te brengen naar uw wet, maar zij misdroegen zich, ze luisterden niet naar uw geboden en ze overtraden uw rechtsregels – terwijl ieder die ze nakomt, leven zal! Ze verzetten zich met hand en tand en hardnekkig weigerden ze te luisteren. 30U had vele jaren geduld met hen, U waarschuwde hen door uw geest, bij monde van uw profeten, maar zij luisterden niet, en daarom leverde U hen uit aan de volken om hen heen. 31Maar in uw grote liefde hebt U hen niet voor altijd vernietigd. U hebt hen niet verlaten, want U bent een genadige en liefdevolle God.

32En nu, o God, grote, sterke en ontzagwekkende God, U die zich trouw houdt aan het verbond, wees niet onverschillig voor de rampspoed die ons getroffen heeft, ons en onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze profeten, onze voorouders en heel uw volk, vanaf de tijd van de Assyrische koningen tot op de dag van vandaag.

33U handelde rechtvaardig bij alles wat ons overkomen is, U bent betrouwbaar en wij zijn het die verkeerd handelden. 34Onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze voorouders hielden zich niet aan uw wet. Ze sloegen geen acht op de geboden en voorschriften die U hun gegeven hebt. 35Zij hadden hun eigen koninkrijk – in uw grote goedheid door U aan hen gegeven –, maar in dat ruime en vruchtbare land, het land dat U hun had gegeven, hebben ze U niet gediend. Hun wangedrag hebben ze niet opgegeven.

36Kijk naar ons: nu zijn wij slaven! In het land dat U onze voorouders hebt gegeven om er te eten van de vruchten en van al het goede dat het opbrengt, in dat land zijn wij slaven. 37Omdat wij gezondigd hebben, valt alle rijke oogst toe aan de koningen die U over ons hebt aangesteld, die over ons lichaam regeren en die met ons vee doen wat ze willen. Wij leven in grote ellende.”

1Op grond van dit alles gaan wij een verbintenis aan en stellen die op schrift. Onder de oorkonde staan de namen van onze leiders, van de Levieten en van de priesters. 2Dit zijn degenen die hun zegel zetten: Landvoogd Nehemia, de zoon van Chachalja, en Sidkia. 3Verder de priesters Seraja, Azarja, Jirmeja, 4Paschur, Amarja, Malkia, 5Chattus, Sebanja, Malluch, 6Charim, Meremot, Obadja, 7Daniël, Ginneton, Baruch, 8Mesullam, Abia, Miamin, 9Maäzja, Bilgai en Semaja.

10Dan de Levieten: Jesua, de zoon van Azanja, Binnuï en Kadmiël, een zoon van Chenadad, 11met hun verwanten Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Chanan, 12Micha, Rechob, Chasabja, 13Zakkur, Serebja, Sebanja, 14Hodia, Bani en Beninu.

15En de leiders van het volk: Paros, Pachat-Moab, Elam, Zattu, Bani, 16Bunni, Azgad, Bebai, 17Adonia, Bigwai, Adin, 18Ater, Chizkia, Azzur, 19Hodia, Chasum, Besai, 20Charif, Anatot, Nebai, 21Magpias, Mesullam, Chezir, 22Mesezabel, Sadok, Jaddua, 23Pelatja, Chanan, Anaja, 24Hosea, Chananja, Chassub, 25Halloches, Pilcha, Sobek, 26Rechum, Chasabna, Maäseja, 27Achia, Chanan, Anan, 28Malluch, Charim en Baäna.

29-30De rest van ons volk sluit zich bij deze vooraanstaande volksgenoten aan. De priesters, Levieten, poortwachters, tempelzangers, tempelknechten en alle anderen die zich afzijdig gehouden hebben van de bevolking van het land en zich op de wet van God hebben gericht, gaan onder zelfvervloeking en onder ede de verplichting aan om te leven volgens de wet van God, die door Mozes, Gods dienaar, is gegeven, en om alle geboden, rechtsregels en voorschriften van de HEER, onze Heer, te onderhouden en na te leven. Dit geldt ook voor hun vrouwen en hun zonen en dochters, voor eenieder die ze kan begrijpen.

31Voorts verplichten wij ons ertoe onze dochters niet aan de bevolking van het land uit te huwelijken, en hun dochters niet voor onze zonen tot vrouw te nemen. 32Ook zullen wij de waren en de verschillende graansoorten die de bevolking van het land ons op sabbat te koop aanbiedt niet van hen kopen, op sabbat noch op feestdagen, en elk zevende jaar zullen wij het land braak laten liggen en alle schulden kwijtschelden. 33Tevens nemen wij als verplichting op ons om per jaar een derde sjekel bij te dragen aan de dienst in de tempel van onze God, 34en wel voor het toonbrood, de dagelijkse graan- en brandoffers, voor de offers op sabbat, nieuwemaan en de hoogtijdagen, en voor de heilige gaven, de offers om verzoening voor Israël te bewerken, en voor de overige diensten in de tempel van onze God.

35Wij hebben door loting bepaald wanneer de priesters, de Levieten en het volk, ingedeeld naar familie, brandhout moeten leveren voor het altaar van de HEER, onze God, in zijn tempel. Dit dient op vastgestelde tijden te gebeuren, elk jaar opnieuw, zoals in de wet is voorgeschreven. 36Verder zullen wij de eerste opbrengst van onze akkers en de eerste vruchten van alle fruitbomen naar de tempel van onze God brengen, elk jaar opnieuw, 37en ook zullen wij, zoals in de wet is voorgeschreven, onze eerstgeboren zonen, en van ons vee de eerstgeboren runderen, schapen en geiten, naar de tempel van onze God brengen, naar de priesters die daar dienstdoen. 38Ook het eerste deeg zullen wij naar de priesters brengen, naar de voorraadkamers van de tempel van onze God, evenals wat wij moeten afdragen van het fruit van de boomgaarden, de wijn en de olie. Een tiende van de opbrengst van het land is voor de Levieten. Zij mogen zelf in alle gebieden waar wij werken tienden heffen; 39ze zullen daarbij door een priester, een afstammeling van Aäron, worden vergezeld. De Levieten moeten vervolgens een tiende van die tienden naar de voorraadkamers van de tempel van onze God brengen. 40Daarheen moeten de Israëlieten en de Levieten hun bijdragen in graan, wijn en olie brengen. Daar ook bevindt zich het tempelgerei, en daar verblijven de dienstdoende priesters, de poortwachters en de zangers. Nooit zullen wij de tempel van onze God verwaarlozen.’

Nehemia 7-10NBV21Open in de Bijbel

1Halleluja!

Hoe goed is het te zingen voor onze God,

hoe heerlijk Hem onze lof te brengen.

2De bouwer van Jeruzalem, dat is de HEER,

Hij brengt de ballingen van Israël bijeen.

3Hij geneest wie gebroken zijn

en verzorgt hun diepe wonden.

4Hij bepaalt het getal van de sterren,

Hij roept ze alle bij hun naam.

5Groot is onze Heer en oppermachtig,

zijn inzicht is niet te meten.

6De HEER richt de vernederden op

en drukt de goddelozen neer.

7Hef voor de HEER een hymne aan,

zing voor onze God een lied bij de lier,

8voor Hem die de hemel met wolken bedekt,

die de aarde met regen doordrenkt,

die het gras op de bergen laat groeien,

9die voedsel geeft aan de dieren,

aan de roepende jongen van de raaf.

10Niet de kracht van paarden verheugt Hem,

niet de sterkte van soldaten geeft Hem vreugde,

11vreugde vindt de HEER in wie Hem eren

en in wie hopen op zijn liefde en trouw.

12Prijs, Jeruzalem, prijs de HEER,

loof, Sion, loof je God.

13Hij heeft de grendels van je poorten versterkt,

het volk binnen je muren gezegend.

14Hij geeft je vrede en veilige grenzen,

met vette tarwe stilt Hij je honger.

15Hij zendt zijn bevelen naar de aarde,

vlug als een renbode gaat zijn woord.

16Hij laat het sneeuwen als wol,

rijp strooit Hij uit als stof,

17hagel werpt Hij in brokken neer,

wie is tegen zijn koude bestand?

18Hij zendt zijn woord en alles smelt,

Hij stuurt zijn adem, de wateren stromen.

19Hij maakt zijn woorden aan Jakob bekend,

zijn wetten en voorschriften aan Israël.

20Met geen ander volk heeft Hij zich zo verbonden,

met zijn wetten zijn zij niet vertrouwd.

Halleluja!

Psalmen 147NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.19.2
Volg ons