Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 319 / Tit. 1-3, Filem. 1

Bijbeltekst(en)

1Van Paulus, dienaar van God, apostel van Jezus Christus, gestuurd om het geloof van Gods uitverkorenen te versterken en hun kennis bij te brengen van de waarheid die tot vroomheid leidt, 2in de hoop op het eeuwige leven dat God, die niet liegt, vóór alle tijden heeft beloofd. 3Hij heeft de tijd bepaald waarop zijn woord door de verkondiging bekendgemaakt werd, en deze verkondiging is mij nu in opdracht van God, onze redder, toevertrouwd. 4Aan Titus, mijn waarachtig kind in ons gemeenschappelijk geloof. Genade en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze redder!

Titus’ taak op Kreta

5Ik heb je op Kreta achtergelaten om, volgens mijn richtlijnen, de resterende zaken te regelen en in elke stad oudsten aan te stellen: 6onberispelijke mannen met maar één vrouw en met gelovige kinderen die niet kunnen worden beschuldigd van schandelijk gedrag en ongehoorzaamheid. 7Een leider van de gemeente moet als beheerder van Gods huis onberispelijk zijn: hij mag niet eigenzinnig optreden, niet driftig zijn, niet te veel drinken, niet gewelddadig zijn en niet hebzuchtig; 8hij moet juist gastvrij zijn, goedwillend, bezonnen, rechtvaardig, toegewijd en beheerst. 9En hij moet zich houden aan de betrouwbare boodschap die in overeenstemming is met de leer, zodat hij in staat is om anderen met heilzaam onderricht te bemoedigen en dwarsliggers terecht te wijzen. 10Want er zijn daar veel ongehoorzame mensen, praatjesmakers en bedriegers, vooral onder Joodse gelovigen. 11Hun moet de mond worden gesnoerd; ze richten hele families te gronde door uit schandelijk winstbejag de verkeerde dingen te onderwijzen. 12Het was ook een Kretenzer, hun eigen profeet zelfs, die zei: ‘Kretenzers liegen altijd, het zijn gemene beesten, vadsige vreters.’ 13Dát is pas een waar woord! Wijs hen daarom streng terecht, zodat ze een heilzaam geloof krijgen, 14zich niet langer interesseren voor Joodse verzinsels en zich geen regels laten opleggen door mensen die zich van de waarheid hebben afgekeerd. 15Voor wie rein zijn, is alles rein; maar voor wie bezoedeld en ongelovig zijn, is niets rein, want zowel hun verstand als hun geweten is bezoedeld. 16Ze belijden dat ze God kennen, maar hun daden weerspreken dat. Weerzinwekkend zijn ze, onwillig en niet in staat tot ook maar iets goeds.

Praktische aanwijzingen

1Maar jij moet verkondigen wat overeenkomt met de heilzame leer. 2Oudere mannen moeten sober, waardig en bezonnen zijn, en gezond in het geloof, de liefde en de volharding. 3Ook oudere vrouwen moeten zich ingetogen gedragen, ze mogen niet kwaadspreken of verslaafd zijn aan wijn. Ze moeten goede raad weten te geven 4en de jonge vrouwen voorhouden dat ze hun man en kinderen moeten liefhebben, 5dat ze ingetogen, kuis, zorgzaam in het huishouden en vriendelijk moeten zijn, en dat ze het gezag van hun man moeten erkennen. Dan wordt het woord van God in ere gehouden.

6Roep ook jonge mannen op in alles ingetogen te zijn. 7Geef zelf met goede daden het voorbeeld, laat je leer zuiver en waardig zijn, 8en verkondig de heilzame, onbetwistbare boodschap, zodat onze tegenstanders beschaamd staan en niets kwaads over ons kunnen zeggen.

9Slaven moeten in alles het gezag van hun meester erkennen en het hem naar de zin maken. Ze mogen hem niet tegenspreken 10of van hem stelen, maar moeten laten zien dat ze volkomen betrouwbaar zijn. Dan verhogen ze in alles wat ze doen het aanzien van de leer van God, onze redder.

11Gods genade is openbaar geworden om alle mensen te redden. 12Ze leert ons dat we goddeloze en wereldse begeerten moeten afwijzen en bezonnen, rechtvaardig en vroom in deze wereld moeten leven, 13in afwachting van het geluk waarop wij hopen: de verschijning van de majesteit van onze grote God en redder Jezus Christus. 14Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle zonde vrij te kopen, ons te reinigen en ons tot zijn volk te maken, dat zich volledig inzet om het goede te doen. 15Gebruik je gezag om dit te verkondigen, moedig aan en wijs terecht. Laat niemand op je neerkijken.

1Herinner allen eraan dat ze overheid en gezag moeten erkennen en gehoorzaam moeten zijn, bereid om altijd het goede te doen, 2dat ze van niemand mogen kwaadspreken, vredelievend en vriendelijk moeten zijn en zich tegenover alle mensen steeds zachtmoedig moeten gedragen. 3Ook wij waren eens onverstandig, ongehoorzaam, op de verkeerde weg, slaaf van allerlei begeerten en lusten. Ons leven stond in het teken van boosaardigheid en afgunst, we verafschuwden en haatten elkaar. 4Maar toen zijn de goedheid en mensenliefde van God, onze redder, openbaar geworden 5en heeft Hij ons gered, niet vanwege onze rechtvaardige daden, maar uit barmhartigheid. Hij heeft ons gered door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwende kracht van de heilige Geest, 6die Hij door Jezus Christus, onze redder, rijkelijk over ons heeft uitgegoten. 7Zo zijn wij door zijn genade rechtvaardig verklaard en krijgen we deel aan het eeuwige leven waarop onze hoop gericht is.

8Deze boodschap is betrouwbaar. Ik wil dat je hierover met overtuiging spreekt, opdat zij die op God vertrouwen zich erop toeleggen het goede te doen. Daar heeft iedereen baat bij. 9Maar houd je verre van dwaze speculaties en geslachtsregisters en dat geruzie en geredetwist over de wet, want dat is allemaal nutteloos en dwaas. 10Wie na twee keer te zijn terechtgewezen nog steeds verdeeldheid zaait, moet je uit de gemeente verwijderen; 11je weet dat zo iemand het spoor volkomen bijster is en door te zondigen zichzelf veroordeelt.

12Zodra ik Artemas of Tychikus naar je toe heb gestuurd, moet je bij mij in Nikopolis komen. Ik heb besloten daar de winter door te brengen. 13Rust Zenas, de rechtsgeleerde, en Apollos goed toe voor hun reis, zodat het hun aan niets ontbreekt. 14Laten ook onze mensen leren zich in te spannen om het goede te doen waar dat dringend nodig is. Zo maken ze zich nuttig. 15Allen die bij mij zijn, groeten je. Groet al onze vrienden in het geloof.

Genade zij met jullie allen.

Titus 1-3NBV21Open in de Bijbel

1Van Paulus, gevangene omwille van Christus Jezus, en van onze broeder Timoteüs. Aan onze geliefde medewerker Filemon, 2aan onze zuster Apfia en onze medestrijder Archippus, en aan de gemeente die in uw huis samenkomt. 3Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus.

4Ik dank mijn God altijd wanneer ik u in mijn gebeden noem, 5want ik hoor vaak over de liefde en de trouw die u de Heer Jezus en alle heiligen toedraagt. 6Ik bid dat het geloof dat u met ons deelt u een dieper inzicht geeft in al het goede dat ons nader tot Christus brengt. 7Uw liefde heeft mij veel vreugde en troost gegeven, broeder, want door u voelen de heiligen zich gesterkt.

8Hoewel ik in eenheid met Christus het volste recht heb u te zeggen wat u moet doen, 9geef ik vanwege uw liefde de voorkeur aan een verzoek – ik, Paulus, een man van respectabele leeftijd, die nu ook nog gevangenzit omwille van Christus Jezus. 10Ik zou u om een gunst willen vragen voor iemand die tijdens mijn gevangenschap mijn kind is geworden: Onesimus. 11Hij was u destijds niet van nut, maar nu kan hij zowel u als mij goede diensten bewijzen. 12Ik stuur hem naar u terug, hoewel hij me na aan het hart ligt 13en ik hem graag bij me gehouden had. Dan had hij namens u voor mij kunnen zorgen nu ik omwille van het evangelie gevangenzit. 14Maar ik heb zonder uw medeweten niets willen ondernemen, want u moet mij niet een gunst verlenen omdat ik u onder druk zet, maar omdat u het zelf wilt.

15Misschien hebt u hem korte tijd moeten missen om hem voor altijd terug te krijgen, 16niet meer als een slaaf, maar als veel meer dan dat, als een geliefde broeder. Voor mij is hij dat al, hoeveel te meer moet hij het dus voor u zijn, zowel in het dagelijks leven als in het geloof in de Heer. 17Dus, als u met mij verbonden bent, ontvang hem dan zoals u mij zou ontvangen. 18En mocht hij u hebben benadeeld of u iets schuldig zijn, breng het mij dan in rekening. 19Ik, Paulus, schrijf hier eigenhandig neer dat ik u zal betalen. Ik ga er dan maar aan voorbij dat u mij uw eigen leven schuldig bent. 20Kom, broeder, bewijs mij deze dienst omwille van de Heer, stel mij omwille van Christus gerust.

21Ik heb u geschreven in het volste vertrouwen dat u mijn verzoek zult inwilligen, ik weet dat u zelfs meer zult doen dan dat. 22Ten slotte, maak voor mij een kamer in orde, want ik heb goede hoop dat ik dankzij de gebeden van u allen aan u teruggegeven word.

23Epafras, die samen met mij omwille van Christus Jezus gevangenzit, laat u groeten, 24evenals mijn medewerkers Marcus, Aristarchus, Demas en Lucas.

25De genade van de Heer Jezus Christus zij met u.

Filemon 1NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons