Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 315 / Ezech. 31-32

Bijbeltekst(en)

1Op de eerste dag van de derde maand in het elfde jaar richtte de HEER zich tot mij: 2‘Mensenkind, zeg tegen de farao, de koning van Egypte, en tegen zijn volk: “Wie is er zo groot als jij?

3Ooit was Assyrië als een ceder van de Libanon,

met mooie takken, als een woud dat schaduw geeft,

duizelingwekkend hoog, zijn kruin raakte de wolken.

4Water deed hem groeien, de oervloed maakte hem groot:

rivieren stroomden waar de ceder was geplant,

geulen leidden naar alle andere bomen op aarde.

5Zo werd hij de hoogste van alle bomen,

zo kreeg hij brede takken en lange twijgen,

door al het water uit de diepte.

6In zijn takken nestelden de vogels van de hemel,

onder zijn twijgen wierpen de wilde dieren hun jongen,

en in zijn schaduw woonden vele volken.

7Groot was hij en mooi, met zijn lange takken,

want hij had zijn wortels in veel water.

8Zelfs in de tuin van God was er geen ceder als hij,

geen cipres met zulke takken,

geen plataan met zulke twijgen,

in de tuin van God was er geen boom zo mooi als hij.

9Ik had hem zo mooi gemaakt met zijn brede takken,

en alle bomen van Eden benijdden hem,

alle bomen in de tuin van God.

10Daarom – dit zegt God, de HEER: Omdat hij zo hoog geworden was dat zijn kruin de wolken raakte en omdat hij zich hooghartig verhief, 11leverde Ik hem uit aan de machtigste heerser van de wereld, die hem voor zijn goddeloosheid liet boeten. Ik verstootte hem. 12Vreemde volken, de wreedste ter wereld, hakten hem om en smeten hem neer op de bergen, zijn takken vielen in de dalen, zijn twijgen werden gebroken en vulden de beddingen van de rivieren. Alle volken van de aarde trokken weg uit zijn schaduw en lieten hem liggen. 13De vogels van de hemel streken neer op zijn gevallen stam, en in zijn takken huisden de dieren van het veld. 14Geen boom, al heeft hij zijn wortels in het water, zal ooit nog zo hoog worden, geen kruin zal ooit nog de wolken raken. Geen boom zal zich meer boven de andere verheffen. Ze worden allemaal aan de dood prijsgegeven, ze verdwijnen in de onderwereld, waar ook de mensen zijn die in het graf zijn afgedaald.

15Dit zegt God, de HEER: Op de dag dat hij in het dodenrijk afdaalde bedekte Ik de oervloed met een rouwkleed, Ik hield de rivieren tegen en het vele water hield op te stromen. Om hem verduisterde Ik de Libanon, om hem versmachtten alle bomen op aarde van dorst. 16Toen Ik hem in het dodenrijk liet afdalen naar hen die zich al in het graf bevinden, beefden alle volken bij het geluid van zijn val. Maar in de onderwereld voelden de bomen van Eden zich getroost, de mooiste van de Libanon, alle waterdrinkers. 17Ook zij waren naar het dodenrijk afgedaald, naar hen die door het zwaard waren geveld: zijn bondgenoten, alle volken die in zijn schaduw hadden gewoond.

18Wie is er aan jou gelijk, wie van de bomen in Eden is zo mooi en zo groot als jij? En toch word jij geveld, net als de bomen van Eden, en naar de onderwereld gebracht; daar zul je liggen te midden van de onbesnedenen, naast hen die door het zwaard zijn gevallen. Zo zal het de farao en heel zijn volk vergaan – spreekt God, de HEER.”’

1Op de eerste dag van de twaalfde maand in het twaalfde jaar richtte de HEER zich tot mij: 2‘Mensenkind, hef een klaaglied aan over de farao, de koning van Egypte, en zing:

“Je waande je een leeuw onder de volken,

je was als een krokodil in de zeeën:

je plonsde door de waterstromen,

maakte met je poten het water troebel,

de rivieren donker.”

3Dit zegt God, de HEER: Ik zal mijn vangnet over je uitspreiden; vele volken zullen samenstromen en je ophalen in mijn sleepnet. 4Dan smijt Ik je neer op de grond, Ik laat je achter in het open veld; alle vogels van de hemel laat Ik op je neerstrijken en de wilde dieren van heel de aarde zullen zich aan je tegoed doen. 5Je vlees laat Ik achter op de bergen, en de dalen vul Ik met je botten. 6De aarde zal Ik doordrenken met het bloed dat van de bergen stroomt, de beddingen van de rivieren zullen ervan overlopen. 7Als jouw licht gedoofd wordt, zal Ik de hemel bedekken en de sterren verduisteren; wolken zullen voor de zon komen en het maanlicht zal niet langer schijnen. 8Alle lichten die boven je aan de hemel stralen zal Ik verduisteren, het zal donker zijn in je land – zo spreekt God, de HEER.

9Vele volken zullen ontzet zijn als Ik je gebroken volk naar landen breng die jij niet kent, onder vreemde volken. 10Vele volken zullen verbijsterd staan over je lot, en als Ik mijn zwaard voor hun ogen heen en weer zwaai zullen hun koningen beven van angst om wat jou overkomt. Op de dag van je val zal iedereen onophoudelijk voor zijn leven vrezen. 11Want dit zegt God, de HEER:

Het zwaard van de koning van Babylonië zal je treffen!

12Je volk zal Ik treffen met het zwaard van helden,

helden uit het wreedste volk ter wereld.

Zij zullen alles verwoesten waar Egypte trots op is:

het hele volk wordt uitgeroeid

13en langs de grote rivier

zal Ik al het vee vernietigen;

geen voet zal het water nog troebel maken,

geen hoef maakt het ooit nog vuil.

14Daarna zal Ik het water tot rust laten komen,

het zal stromen als olie

– spreekt God, de HEER.

15Als Ik van Egypte een woestenij heb gemaakt,

als het land met heel zijn rijkdom is verwoest,

als Ik allen die er wonen heb gedood,

zullen ze beseffen dat Ik de HEER ben.

16Dit is een klaaglied, het zal worden gezongen, vrouwen van vreemde volken zullen het zingen, ze zullen het zingen over Egypte en alle Egyptenaren – zo spreekt God, de HEER.’

17Op de vijftiende dag van die maand, in het twaalfde jaar, richtte de HEER zich tot mij. Hij zei: 18‘Mensenkind, begeleid samen met de vrouwen uit machtige volken Egypte al weeklagend naar de onderwereld, naar hen die al in het graf zijn afgedaald:

19“Ben jij soms beter dan anderen?

Daal af, laat je neerleggen tussen de onbesnedenen.

20Je volk zal er liggen te midden van de gesneuvelden.”

Egypte is overgeleverd aan het zwaard. Sleep het weg met al zijn vazallen! 21In het dodenrijk zeggen de dapperste helden over de farao en zijn helpers: “Ze zijn afgedaald en nu liggen ze daar, de onbesnedenen, ze zijn gesneuveld.”

22Daar ligt het volk van Assyrië, hun graven omgeven de koning, allemaal zijn ze gesneuveld, gevallen door het zwaard. 23Zijn graf is te vinden in het diepst van de onderwereld, en zijn volk ligt rondom hem begraven – ooit zaaiden zij angst in het land van de levenden, nu zijn ze allen gesneuveld, gevallen door het zwaard.

24Daar ligt Elam, met heel het volk rondom het graf van de koning, allemaal zijn ze gesneuveld, gevallen door het zwaard. Als onbesnedenen zijn ze afgedaald naar de onderwereld – eens zaaiden ze angst in het land van de levenden, nu moeten ze hun schande dragen met degenen die in het graf zijn afgedaald. 25Te midden van de gesneuvelden hebben zij een rustplaats gekregen, de koning en heel zijn volk: hun graven bevinden zich rondom. Het zijn allemaal onbesnedenen die zijn gesneuveld – eens zaaiden ze angst in het land van de levenden, en nu moeten ze hun schande dragen met degenen die in het graf zijn afgedaald, te midden van de gesneuvelden.

26Daar ligt het volk van Mesech-Tubal, hun graven omgeven de koning. Het zijn allemaal onbesnedenen die gesneuveld zijn – eens zaaiden ze angst in het land van de levenden. 27Ze liggen niet bij de helden die gevallen zijn in het verre verleden en met wapenrusting en al naar het dodenrijk zijn afgedaald. Ook zij zaaiden angst in het land van de levenden, en nu ligt hun zwaard onder hun hoofd en kleven hun zonden aan hun botten.

28Ook jij zult gebroken neerliggen te midden van de onbesnedenen, bij de gesneuvelden.

29Daar ligt Edom, met zijn koningen en vorsten, die, hoe sterk ze ook waren, naast de gesneuvelden zijn neergelegd. Nu liggen ze bij de onbesnedenen, bij hen die in het graf zijn afgedaald.

30En daar liggen alle heersers van het noorden, en alle Sidoniërs: ze zijn, hoe sterk en gevreesd ze ook waren, afgedaald naar de gesneuvelden. Ze zijn onteerd, ze liggen als onbesnedenen bij de gesneuvelden, en ze moeten nu hun schande dragen met hen die in het graf zijn afgedaald.

31Wanneer de farao hen ziet, zal dat hem troost geven voor het verlies van zijn hele volk. Ook de farao en heel zijn leger zullen sneuvelen – spreekt God, de HEER. 32Het land van de levenden heb Ik vervuld met angst voor de farao, maar nu komt hij met zijn volk te liggen te midden van de onbesnedenen en de gesneuvelden – zo spreekt God, de HEER.’

Ezechiël 31-32NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons