Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 304 / Ezech. 8-9, Ps. 79

Bijbeltekst(en)

Visioen in de tempel van Jeruzalem

1In het zesde jaar, op de vijfde dag van de zesde maand, toen ik in mijn huis zat met de oudsten van Juda tegenover me, werd ik opnieuw gegrepen door de hand van God, de HEER. 2Dit is wat ik zag: een gedaante als van vuur. Vanaf wat zijn heupen leken te zijn naar beneden toe zag ik vuur, en naar boven toe een schittering, glanzend als wit goud. 3Hij strekte iets uit dat de vorm had van een hand en pakte me bij mijn haren beet. In dit goddelijk visioen tilde de geest me op, tussen hemel en aarde, en bracht me naar Jeruzalem, naar de ingang van de noordelijke binnenpoort, waar het afgodsbeeld staat dat de jaloezie van de HEER doet ontvlammen. 4Daar zag ik de stralende verschijning van de God van Israël, zoals ik die ook in het dal had gezien. 5Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, kijk nu naar het noorden.’ Ik keek naar het noorden en zag daar bij de toegang van de poort naar het altaar het afgodsbeeld staan dat de jaloezie van de HEER doet ontvlammen. 6‘Mensenkind, zie je wat ze doen? Zie je hoe vreselijk het volk van Israël zich hier misdraagt en Mij uit mijn eigen heiligdom verdrijft? En je zult nog meer gruwelijks zien.’

7Hij bracht me naar de ingang van de tempelhof. In de muur was een gat. 8Hij zei tegen me: ‘Mensenkind, kruip daar doorheen.’ Dat deed ik, en aan de andere kant kwam ik bij een deur. 9‘Ga naar binnen om te kijken naar de verschrikkelijke dingen die ze daar doen,’ zei Hij. 10Toen ik binnen was en rondkeek, zag ik op de muren om me heen allerlei afbeeldingen van de afgoden van het volk van Israël, van kruipende beesten en andere dieren, stuk voor stuk onrein. 11Zeventig oudsten van het volk van Israël, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Safan, stonden ervoor, ieder met zijn wierookschaal in de hand, en er steeg een wolk van wierook op. 12Hij vroeg me: ‘Heb je gezien, mensenkind, wat de oudsten van het volk van Israël doen, daar in het duister, in die zaal vol afbeeldingen? De HEER ziet ons niet, denken ze, de HEER heeft het land verlaten.’

13‘Ik zal je nog meer van hun gruwelijke daden laten zien,’ zei Hij, 14en Hij bracht me naar de ingang van de noordelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zaten vrouwen die rouwden om de god Tammuz. 15‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg Hij mij. ‘En nog gruwelijker dingen zal Ik je laten zien!’

16Hij bracht me naar de binnenhof van de tempel van de HEER. Bij de ingang, tussen de voorhal en het altaar, stonden ongeveer vijfentwintig mannen. Ze stonden met hun rug naar de tempel, met hun gezicht naar het oosten, en ze bogen zich in aanbidding neer voor de zon. 17‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg Hij mij. ‘En al deze afgodendienst waaraan het volk van Juda zich overgeeft is blijkbaar nog niet genoeg: ze vullen het land met geweld, ze beledigen Mij steeds opnieuw, zie hoe ze Mij minachten door een wijnrank onder hun neus te houden! 18Ik zal mijn woede op hen koelen, Ik zal onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben, en al roepen ze nog zo hard om Mij, Ik zal niet naar hen luisteren.’

1Toen hoorde ik Hem luid roepen: ‘Kom tevoorschijn, jullie die de stad gaan straffen, en neem je vernietigingswapens mee.’ 2En ik zag hoe zes mannen uit de richting van de noordelijke bovenpoort kwamen, alle zes met een dodelijk wapen in hun hand. Er was ook nog een man bij hen in linnen kleren, die een schrijverskoker aan zijn gordel droeg. De mannen gingen naast het bronzen altaar staan.

3De stralende verschijning van de God van Israël bewoog zich van de cherubs waarboven Hij troonde naar de ingang van de tempel, en Hij riep de in linnen geklede man met de schrijverskoker bij zich. 4De HEER zei tegen hem: ‘Maak een ronde door Jeruzalem, en zet een merkteken op het voorhoofd van iedereen die jammert en klaagt om de gruwelijke dingen die er in de stad gebeuren.’ 5Tegen de zes anderen hoorde ik Hem zeggen: ‘Ga achter hem aan, trek ook door de stad en dood iedereen. Wees onverbiddelijk en heb geen medelijden. 6Oude mensen, jonge mannen en vrouwen, moeders en kinderen – jullie moeten ze allemaal ombrengen. Maar laat degenen die het merkteken dragen ongemoeid. Begin bij mijn heiligdom.’ En ze begonnen bij de zeventig oudsten, die voor de tempel stonden. 7Hij zei tegen de mannen: ‘Dood alle mensen in de voorhoven zodat de tempel onrein wordt, en ga dan naar buiten!’ Ze gingen naar buiten en trokken moordend door de stad. 8Terwijl zij moordend rondtrokken bleef ik achter, en ik wierp me voorover op de grond en schreeuwde: ‘Ach HEER, mijn God, gaat U, nu uw woede Jeruzalem treft, alle Israëlieten vernietigen die er nog zijn?’ 9Hij antwoordde: ‘De schuld die het volk van Israël en Juda op zich heeft geladen is onmetelijk groot. Het land is vol bloed, de stad vol onrecht, want ze denken bij zichzelf: De HEER heeft het land verlaten, de HEER ziet ons niet. 10Ik zal dan ook onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben; Ik zal hen voor hun daden laten boeten.’ 11De in linnen geklede man met de schrijverskoker aan zijn gordel kwam terug en bracht verslag uit: ‘Ik heb gedaan wat U mij hebt bevolen.’

Ezechiël 8-9NBV21Open in de Bijbel

1Een psalm van Asaf.

God, vreemde volken hebben uw land bezet,

uw heilige tempel ontwijd

en Jeruzalem in puin veranderd.

2De lijken van uw dienaren lieten zij liggen

als aas voor de vogels van de hemel,

het vlees van uw getrouwen als voedsel

voor de wilde dieren op aarde.

3Hun bloed werd als water vergoten

rond Jeruzalem – en niemand die hen begroef.

4Gehoond worden wij door onze naburen,

beschimpt en bespot door de volken rondom.

5Hoe lang nog, HEER? Bent U voor eeuwig verbolgen?

Hoe lang blijft uw woede branden?

6Stort uw toorn uit over de volken die U niet kennen,

over de koninkrijken die uw naam niet aanroepen,

7want zij hebben Jakob verslonden

en zijn woonplaats verwoest.

8Reken ons de zonden van vroeger niet aan,

toon erbarmen en haast u, want onze ellende is groot.

9Help ons, God, bevrijd ons, tot eer van uw roemrijke naam,

red ons en bedek onze zonden, omwille van uw naam.

10Waarom mogen de volken zeggen: ‘Waar is nu hun God?’

Laat de volken weten, laat ons het zien,

dat het bloed van uw dienaren wordt gewroken.

11Laat het zuchten van uw geknechte volk U bereiken.

Machtig is uw arm: houd in leven wie ten dode zijn gedoemd.

12Straf de volken rondom ons zevenvoudig

voor de smaad die zij U hebben aangedaan, Heer!

13Wij zijn uw volk, de kudde die U hoedt,

wij zullen U prijzen tot in eeuwigheid,

van geslacht op geslacht verhalen van uw roem.

Psalmen 79NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons