Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 272 / 1Kron. 1-2, Pred. 1-2

Bijbeltekst(en)

De generaties van Adam tot Abraham

1Adam, Set, Enos, 2Kenan, Mahalalel, Jered, 3Henoch, Metuselach, Lamech, 4Noach, Sem, Cham en Jafet.

5Zonen van Jafet: Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesech en Tiras. 6Zonen van Gomer: Askenaz, Difat en Togarma. 7Zonen van Jawan: Elisa en Tarsis; andere nakomelingen van Jawan: de Kittiërs en de Rodanieten.

8Zonen van Cham: Kus, Misraïm, Put en Kanaän. 9Zonen van Kus: Saba, Chawila, Sabta, Rama en Sabtecha. Zonen van Rama: Seba en Dedan. 10Kus was ook de vader van Nimrod, die de eerste machthebber op aarde was. 11Misraïm was de stamvader van de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten, 12de Patrusieten, de Kasluchieten – uit wie de Filistijnen zijn voortgekomen – en de Kretenzers. 13Kanaän was de vader van Sidon, zijn eerstgeborene, en van Chet, 14en de stamvader van de Jebusieten, Amorieten, Girgasieten, 15Chiwwieten, Arkieten, Sinieten, 16Arwadieten, Semarieten en Hamatieten.

17Zonen van Sem: Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram, Us, Chul, Geter en Mesech. 18Arpachsad was de vader van Selach, en Selach de vader van Eber. 19Eber kreeg twee zonen. De ene heette Peleg; in zijn tijd werd de aarde verdeeld. De andere heette Joktan. 20Joktan was de vader van Almodad, Selef, Chasarmawet, Jerach, 21Hadoram, Uzal, Dikla, 22Ebal, Abimaël, Seba, 23Ofir, Chawila en Jobab. Zij allen waren zonen van Joktan.

24Sem, Arpachsad, Selach, 25Eber, Peleg, Reü, 26Serug, Nachor, Terach, 27Abram, dat is Abraham.

Afstammelingen van Abraham

28Zonen van Abraham: Isaak en Ismaël.

29Dit zijn hun nakomelingen: Nebajot, Ismaëls eerstgeborene, Kedar, Adbeël, Mibsam, 30Misma, Duma, Massa, Chadad, Tema, 31Jetur, Nafis en Kedema. Dit waren de zonen van Ismaël.

32Zonen van Ketura, een bijvrouw van Abraham: zij baarde Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. Zonen van Joksan: Seba en Dedan. 33Zonen van Midjan: Efa, Efer, Chanoch, Abida en Eldaä. Zij allen waren nakomelingen van Ketura.

34Abraham verwekte Isaak. Zonen van Isaak: Esau en Israël. 35Zonen van Esau: Elifaz, Reüel, Jeüs, Jalam en Korach. 36Zonen van Elifaz: Teman, Omar, Sefi, Gatam, Kenaz, Timna en Amalek. 37Zonen van Reüel: Nachat, Zerach, Samma en Mizza.

38Zonen van Seïr: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, Dison, Eser en Disan. 39Zonen van Lotan: Chori en Homam; de zus van Lotan was Timna. 40Zonen van Sobal: Aljan, Manachat, Ebal, Sefi en Onam. Zonen van Sibon: Ajja en Ana. 41Zoon van Ana: Dison. Zonen van Dison: Chamran, Esban, Jitran en Keran. 42Zonen van Eser: Bilhan, Zaäwan en Jaäkan. Zonen van Disan: Us en Aran.

43Dit zijn de koningen die in Edom geregeerd hebben nog voordat er een koning over de Israëlieten regeerde. Eerst Bela, de zoon van Beor; de stad waar hij zetelde heette Dinhaba. 44Na de dood van Bela werd Jobab uit Bosra koning; hij was de zoon van Zerach. 45Na de dood van Jobab werd Chusam uit het land van de Temanieten koning. 46Na de dood van Chusam werd Hadad, de zoon van Bedad, koning. Hij versloeg de Midjanieten in Moab; de stad waar hij zetelde heette Awit. 47Na de dood van Hadad werd Samla uit Masreka koning. 48Na de dood van Samla werd Saül uit Rechobot aan de rivier koning. 49Na de dood van Saül werd Baäl-Chanan, de zoon van Achbor, koning. 50Na de dood van Baäl-Chanan werd Hadad koning; de stad waar hij zetelde heette Paï, en zijn vrouw was Mehetabel, die een dochter was van Matred, de dochter van Me-Zahab. 51Toen stierf Hadad.

Er waren ook stamvorsten in Edom: Timna, Alja, Jetet, 52Oholibama, Ela, Pinon, 53Kenaz, Teman, Mibsar, 54Magdiël en Iram. Dit waren de stamvorsten van Edom.

Afstammelingen van Juda

1Dit zijn de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issachar en Zebulon, 2Dan, Jozef en Benjamin, Naftali, Gad en Aser.

3Zonen van Juda: Er, Onan en Sela. Deze drie zonen werden hem gebaard door Batsua uit Kanaän. Juda’s eerstgeboren zoon Er was slecht in de ogen van de HEER, en daarom liet de HEER hem sterven. 4Bij zijn schoondochter Tamar verwekte Juda Peres en Zerach. In totaal had hij dus vijf zonen. 5Zonen van Peres: Chesron en Chamul. 6Zerach had vijf zonen: Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Dara.

7Zoon van Karmi: Achar, die Israël in het ongeluk stortte doordat hij zich vergreep aan goederen die onvoorwaardelijk aan de HEER waren gewijd. 8Zoon van Etan: Azarja.

9Chesron kreeg de volgende zonen: Jerachmeël, Ram en Kelubai. 10Ram verwekte Amminadab en Amminadab verwekte Nachson, stamhoofd van Juda. 11Nachson verwekte Salma, Salma verwekte Boaz, 12Boaz verwekte Obed en Obed verwekte Isaï. 13Isaï verwekte de volgende kinderen: zijn oudste zoon was Eliab, de tweede Abinadab, de derde Sima, 14de vierde Netanel, de vijfde Raddai, 15de zesde Osem en de zevende David; 16hun zussen heetten Seruja en Abigaïl. Seruja had drie zonen: Absai, Joab en Asaël. 17Abigaïl was de moeder van Amasa, zijn vader was de Ismaëliet Jeter.

18Chesrons zoon Kaleb verwekte bij zijn vrouw Azuba een dochter, Jeriot. Haar zonen waren Jeser, Sobab en Ardon. 19Na de dood van Azuba nam hij Efrat tot vrouw. Zij baarde hem Chur. 20Chur verwekte Uri en Uri verwekte Besaleël.

21Op zestigjarige leeftijd trouwde Chesron met een dochter van Machir, de vader van Gilead. Hij sliep met haar en zij baarde hem Segub. 22Segub verwekte Jaïr. Jaïr bezat drieëntwintig nederzettingen in het gebied van Gilead. 23Deze dorpen van Jaïr werden ingenomen door Gesur en Aram, zestig nederzettingen in totaal, waaronder Kenat en de omringende dorpen, die allemaal werden bewoond door nakomelingen van Machir, de vader van Gilead.

24Ook na de dood van Chesron, die getrouwd was met Abia, sliep Kaleb met Efrat. Toen baarde zij hem Aschur, de stichter van Tekoa.

25De zonen van Chesrons oudste zoon Jerachmeël waren Ram, de oudste, en Buna, Oren, Osem en Achia. 26Jerachmeël had nog een andere vrouw, die Atara heette. Zij was de moeder van Onam. 27De zonen van Jerachmeëls oudste zoon Ram waren Maäs, Jamin en Eker. 28De zonen van Onam waren Sammai en Jada. Zonen van Sammai: Nadab en Abisur. 29De vrouw van Abisur heette Abihaïl, zij baarde hem Achban en Molid. 30Zonen van Nadab: Seled en Appaïm. Seled stierf kinderloos, 31Appaïm had een zoon, Jisi. Zoon van Jisi: Sesan. Zoon van Sesan: Achlai. 32Zonen van Sammais broer Jada: Jeter en Jonatan. Jeter stierf kinderloos, 33Jonatan had twee zonen: Pelet en Zaza. Zij allen waren nakomelingen van Jerachmeël. 34-35Sesan had geen zonen, alleen dochters. Een van zijn dochters gaf hij tot vrouw aan zijn dienaar, de Egyptenaar Jarcha. Zij baarde Attai. 36Attai verwekte Natan, Natan verwekte Zabad, 37Zabad verwekte Eflal, Eflal verwekte Obed, 38Obed verwekte Jehu, Jehu verwekte Azarja, 39Azarja verwekte Cheles, Cheles verwekte Elasa, 40Elasa verwekte Sisemai, Sisemai verwekte Sallum, 41Sallum verwekte Jekamja en Jekamja verwekte Elisama.

42Zonen van Jerachmeëls broer Kaleb: Mesa, de oudste, was de stichter van Zif, Maresa was de stichter van Hebron. 43Uit Hebron zijn voortgekomen: Korach, Tappuach, Rekem en Sema. 44Sema verwekte Racham, de stichter van Jorkoam, en Rekem verwekte Sammai. 45Sammai had een zoon, Maon, en Maon was de stichter van Bet-Sur.

46Kalebs bijvrouw Efa baarde Charan, Mosa en Gazez. Charan verwekte Gazez. 47Zonen van Jodai: Regem, Jotam, Gesan, Pelet, Efa en Saäf.

48Kalebs bijvrouw Maächa baarde Seber en Tirchana. 49Zij bracht ook Saäf ter wereld, de stichter van Madmanna, en Sewa, de stichter van Machbena en Gibea.

Kaleb had ook een dochter, Achsa.

50Andere afstammelingen van Kaleb waren de zonen van Efrats oudste zoon Chur: Sobal, de stichter van Kirjat-Jearim, 51Salma, de stichter van Betlehem, en Charef, de stichter van Bet-Gader. 52Van Sobal, de stichter van Kirjat-Jearim, stamt Haroë af en de helft van de inwoners van Menuchot. 53Uit Kirjat-Jearim komen de families Jeter, Put, Suma en Misra, uit wie de bewoners van Sora en Estaol zijn voortgekomen. 54Van Salma stammen de bewoners van Betlehem, Netofa en Atrot-Bet-Joab af, half Manachat, de Sorieten 55en de families in Jabes die zich op de schrijfkunst hebben toegelegd, namelijk de families Tira, Sima en Sucha, Kenieten die afkomstig waren uit het gebied van Chammat, de stichter van Bet-Rechab.

1 Kronieken 1-2NBV21Open in de Bijbel

1Hier volgen de woorden van Prediker, zoon van David en koning in Jeruzalem.

Lucht en leegte

2Lucht en leegte, zegt Prediker,

lucht en leegte, alles is leegte.

3Welk voordeel heeft de mens van alles wat hij heeft verworven,

al zijn moeizaam gezwoeg onder de zon?

4Generaties gaan, generaties komen,

maar de aarde blijft altijd bestaan.

5De zon komt op, de zon gaat onder,

en altijd snelt ze naar de plaats waar ze weer op zal gaan.

6De wind waait naar het zuiden,

dan draait hij naar het noorden.

Hij draait en waait en draait,

en al draaiend waait de wind weer terug.

7Alle rivieren stromen naar de zee,

toch raakt de zee niet vol.

De rivieren keren terug

naar de plaats waar ze ontsprongen,

en beginnen weer opnieuw te stromen.

8Alles is vermoeiend,

zozeer dat er geen woorden voor te vinden zijn.

De ogen van een mens kijken, en vinden geen rust,

zijn oren horen, en ze blijven horen.

9Wat er was, zal er altijd weer zijn,

wat er is gedaan, zal altijd weer worden gedaan.

Er is niets nieuws onder de zon.

10Wanneer men van iets zegt: ‘Kijk, iets nieuws,’

dan is het altijd iets dat er sinds lang vervlogen tijden is geweest.

11De vroegere generaties zijn vergeten,

en ook de komende generaties zullen vergeten worden

in de tijden die daarna weer komen.

Onderzoek naar wijsheid en dwaasheid

12Ik, Prediker, was koning van Israël in Jeruzalem. 13Ik heb met heel mijn hart elke vorm van wijsheid onderzocht, want ik wilde alles wat onder de hemel gebeurt doorgronden. Het is een trieste bezigheid. Een kwelling is het, die de mens door God wordt opgelegd. 14Ik heb alles gezien wat onder de zon gebeurt, en vastgesteld dat het niet meer is dan lucht en najagen van wind. 15Wat krom is kan niet recht worden gemaakt, en wat ontbreekt kan niet worden meegeteld. 16Ik zei tegen mezelf: Ik heb meer en groter wijsheid verworven dan iedereen die vóór mij in Jeruzalem heeft geregeerd. Ik heb veel wijsheid en kennis opgedaan. 17Ik heb me er met hart en ziel voor ingespannen te ontdekken wat wijs is, en wat dwaas en onverstandig is. Maar ook dat, zo heb ik ingezien, is enkel najagen van wind. 18Want wie veel wijsheid heeft, heeft veel verdriet. En wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart.

1Ik zei tegen mezelf: Kom, laat ik proberen de genoegens van het leven te smaken en te genieten van het goede. Maar ook dat, ontdekte ik, is enkel leegte. 2Vrolijkheid, zei ik tegen mezelf, is niet meer dan dwaasheid. En waar leidt vreugde toe? 3Ik heb mezelf ondergedompeld in de vrolijkheid van de wijn, en ik greep die dwaasheid aan om te onderzoeken of ik in mijn wijsheid – want die behield altijd de overhand – kon ontdekken wat een mens het beste doen kan, dat luttel aantal levensdagen dat hij doorbrengt onder de hemel.

4Ook heb ik grootse dingen ondernomen: Ik heb voor mezelf paleizen gebouwd en wijngaarden geplant. 5Ik heb tuinen en parken aangelegd en daarin tal van vruchtbomen geplant. 6Ik heb waterbekkens gegraven om een bos met jonge bomen te bevloeien. 7Ik heb slaven en slavinnen gekocht, en ook hun kinderen werden slaven in mijn huis. Ik bezat talrijke runderen, schapen en geiten, meer dan iedereen die voor mij in Jeruzalem heeft geregeerd. 8Ik heb goud en zilver opgestapeld en in de rijkdom gedeeld van koningen en landen. Ik heb zangers en zangeressen aangesteld en het genot geproefd van vele, vele vrouwen. 9Grootse dingen heb ik ondernomen en meer bezit vergaard dan iedereen die vóór mij in Jeruzalem heeft geregeerd. En bij alles wat ik voor mezelf verworven had, behield ik ook mijn wijsheid. 10Alles wat mijn ogen vroegen heb ik ze gegund, elke vreugde die mijn hart verlangde heb ik het gegeven, en ik genoot naar hartenlust van al het goede dat ik had verworven. Het was het loon voor mijn gezwoeg. 11Maar toen nam ik alles wat ik ondernomen had nog eens in ogenschouw, alles wat mijn moeizaam gezwoeg me opgeleverd had, en ik zag in dat het allemaal maar lucht en najagen van wind was. Het had geen enkel nut onder de zon.

12Ik nam nog eens in ogenschouw wat wijs is, en wat dwaas en onverstandig is. Wat doet een koning met alles wat zijn voorgangers tot stand hebben gebracht? 13Zeker, ik zag wel in dat wijsheid nuttiger is dan dwaasheid, zoals het licht nuttiger is dan de duisternis. 14Een wijze ziet tenminste wat hij doet, terwijl een dwaas in het duister tast. Maar ik weet ook dit: beiden treft hetzelfde lot. 15Wat de dwaas treft, treft ook mij, zei ik tegen mezelf, dus waarvoor ben ik eigenlijk zo uitermate wijs geweest? Ook dat is enkel leegte. 16Want zowel de wijze als de dwaas zal snel worden vergeten, beiden worden ze voorgoed vergeten. Hoe bitter dat de wijze sterft, niet anders dan de dwaas.

17Ik kreeg een afkeer van het leven. Elke bezigheid onder de zon ging me tegenstaan, want het is niet meer dan lucht en najagen van wind. 18Van alles waarvoor ik me had afgebeuld onder de zon kreeg ik een afkeer. Ik zou het moeten achterlaten voor mijn opvolger, 19en wie zou kunnen zeggen of hij wijs of dwaas zou zijn? Toch zou hij de macht verwerven over alles wat ik met mijn wijsheid had bereikt. Ook dat is enkel leegte. 20Vertwijfeling beving me over alles wat ik had verworven en waarvoor ik had gezwoegd onder de zon. 21Ook al is een mens bij alles wat hij heeft bereikt bekwaam te werk gegaan, met wijsheid en kennis van zaken, hij moet het nalaten aan iemand die er niets voor heeft gedaan. Ook dat is niets dan leegte en een uiterst kwade zaak. 22Welk voordeel heeft de mens van alles wat hij moeizaam heeft verworven? Hij jaagt het na en zwoegt ervoor onder de zon, 23maar alle dagen van zijn leven brengen hem verdriet, alles wat hij onderneemt brengt hem niets dan smart. Zelfs ’s nachts vindt hij geen rust. Ook dat is leegte. 24Het is daarom nog maar het beste voor een mens dat hij zich aan eten en drinken tegoed doet en volop geniet van alles wat hij moeizaam heeft verworven. En ook dat, zo heb ik ingezien, is in de hand van God. 25Want wie kan zich tegoed doen en genieten zonder dat Hij ermee instemt? 26Aan een mens die Hem behaagt geeft Hij wijsheid, kennis en vreugde, maar een zondaar legt Hij een kwellende bezigheid op: een zondaar moet bezit vergaren voor een mens die God behaagt. Ook dat is enkel lucht en najagen van wind.

Prediker 1-2NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons